Tsjongerwâlen
Toen de Tsjonger rond 1870 werd gekanaliseerd, lieten de gravers veel zand en keileem achter. Tussen Makkinga en Donkerbroek ontstonden zo hoge zand- en leemwallen die in de loop van de jaren spontaan met bos begroeiden.
Nalatenschap van kanaalgravers
Met dank aan de kanaalgravers zijn de Tsjongerwâlen een mooie landschappelijke omlijsting van het Tsjongerkanaal geworden. Op de hoge zand- en keileemwallen die bij het rechttrekken van de Tsjonger zijn achtergelaten, hebben struiken en bomen alle kans gekregen zich ongestoord te ontwikkelen. Op de bodem van het bos groeit de dagkoekoeksbloem. Waar de omstandigheden humusrijk zijn, gedijt de bosanemoon.
De grenssloot met de Tsjongerdijk bevat ijzerhoudend grondwater. De sloot kan af en toe verkleuren, dankzij het wit van de bloeiende gewone waterranonkel. Aan de oever staat de gewone dotterbloem en holpijp. Door de rust zijn de Tsjongerwâlen een prachtige broedplaats voor veel soorten zangvogels. Het gebied maakt deel uit van een natte ecologische verbindingsszone, een natte strook van Oosterwolde tot aan de Delleboersterheide. Vooral reptielen en amfibieën hebben baat bij deze voorziening in de natuur.
Het Unlân fan Jelsma en Kobbelân zijn alleen op aanvraag toegankelijk.






