Zoeken pictogram Contact pictogram Favorieten pictogram 0 Webshop pictogram 0 Menu pictogram

Voor iedereen die van de Friese natuur houdt

Koplopers op het gebied van landbouw en duurzaamheid

Particulieren, boeren, bedrijven, de retail, overheden, scholen, coöperaties, gezondheidsindustrie en maatschappelijke organisaties werken aan allerlei vormen van transitie naar een meer natuur-inclusieve landbouw en duurzamere samenleving. Dat zijn echt niet allemaal bekende namen van de Duurzame 100, maar juist veel enthousiaste omvormers en veranderaars die op zolderkamers of in schuren werken aan oplossingen voor morgen. Deze vernieuwing in de landbouw en de weg omhoog naar meer biodiversiteit begint bij de koplopers! Janna van der Meer interviewt iedere twee weken een koploper op het gebied van landbouw en duurzaamheid. Benieuwd naar de verhalen? Je vindt ze hieronder.

Jitze Peenstra

Interview met Jitze Peenstra

Jitze Peenstra (35) woont samen met zijn vrouw Carolien en hun zoontje Wessel op boerderij De Nije Pleats aan het riviertje De Boarn nabij Aldeboarn. Ze houden er vleeskoeien op een natuurlijke manier: de Japanse  Wagyu. Een oud ras dat bekend staat om zijn bijzonder smakelijke vlees.

Jitze is daarnaast coördinator vangebiedscoöperatie It Lege Midden. De gebiedscoöperaties zijn in 2016 opgericht om agrarisch natuurbeheer efficiënter te organiseren. Jitze is daar vanaf het begin bij betrokken geweest.

“ Als het gaat om de toekomst van de grutto, dan denk ik dat het tijd is voor duidelijke keuzes. ”

Jitze: ”Het agrarisch natuur- en landschapsbeheer (ANLb) van de provincie, wordt door gebiedscoöperaties als de onze uitgevoerd. Ze worden ook wel De Collectieven genoemd. Eerst waren er allerlei losse agrarische natuurverenigingen. Om het beleid te stroomlijnen zijn deze samengevoegd. Om echt iets voor de natuur te kunnen doen, moet je namelijk zo groot mogelijke, aansluitende gebieden creëren en een pakket aan maatregelen bieden.

It Lege Midden bestaat uit vijf van deze verenigingen, waar voornamelijk boeren lid van zijn. Je moet land bezitten om aan te kunnen schuiven.

We denken wel na over de verbinding met de burger. Het is beslist waardevol om met burgers te sparren, maar om ze zeggenschap te geven over land dat eigendom van boeren is, is nog een brug te ver.

Overheidsgeld

Een belangrijke functie van een gebiedscoöperatie is het verdelen van overheidsgeld. Geld dat beschikbaar is, om bijvoorbeeld de weidevogel populatie te ondersteunen. Boeren ontvangen dat alleen als ze aan bepaalde normen voldoen. Bijvoorbeeld: als ze bepaalde aantallen vogels en nesten op hun land hebben en later maaien. Een onafhankelijke schouwcommissie controleert of iedereen zich aan de regels houdt.

We hebben nu een project met de vlinderstichting gedaan. Het blijkt dat als je bij de sloten gefaseerd maait, je meer vlinders krijgt. Insecten ontwikkelen zich in stadia en als je niet alles in één keer maait, maar stukje voor stukje, dan komen er gemiddeld veel meer tot wasdom. Ik vind de uitkomst van dit project bemoedigend: het is praktisch goed uitvoerbaar en als iedereen dat doet, kun je echt iets bereiken.

Vorig jaar zijn we begonnen met “Leefgebied Natte Dooradering”. Hiermee willen we het leven in en rondom sloten en poelen stimuleren. Boeren die hieraan meedoen, maaien niet voor 15 juni in de buurt van een sloot, rijden er ook geen mest uit en hekkelen niet ieder jaar een hele sloot leeg, maar laten de helft intact. Zo borg je de continuïteit van het leven in zo’n omgeving.

Schadevergoeding

Voor dit soort bijdragen aan de natuur kunnen boeren een vergoeding krijgen. Deze vergoedingen zijn eigenlijk schadevergoedingen, compensatie, omdat de voedingswaarde van gras bij natuurbeheer lager is dan zonder. Het is overigens geen aantrekkelijk verdienmodel, maar het geeft wel een bredere basis onder het bedrijf. De deelnemers zijn daarom meestal echt gemotiveerd om zich voor de natuur in te zetten.

Wat ik momenteel erg lastig vind, is het probleem van de predatie. Het is zo frustrerend als je je best doet voor de weidevogels en dat er dan zoveel worden opgegeten door roofdieren als vossen en steenmarters. Ik begrijp mensen die zeggen dat deze dieren ook recht van leven hebben, maar als je besluit geld in weidevogelbeheer te steken, moet je daar vervolgens ook voor gaan! We hadden dit jaar een vergunning om 15 steenmarters te doden. Er zijn 10 gevangen en gedood en dat heeft beslist effect gehad.

Toekomst

Als het gaat om de toekomst van de grutto, dan denk ik dat het tijd is voor duidelijke keuzes, anders verdwijnt hij. We hebben een aantal gebieden nodig, waarin het landschap open is en waar een hoger waterpeil kan worden ingesteld. In die gebieden is ook extensieve of biologische landbouw nodig. De overheid zou hierbij een rol kunnen spelen, door de financieringslast van deze boeren te beperken. Lange termijn afspraken van 25-30 jaar kunnen het, ook voor een volgende generatie, aantrekkelijk maken om door te gaan.

Mijn persoonlijke mening is, dat als we in gebieden, waar we echt voor de weidevogel kiezen, af zouden zien van kunstmest en bestrijdingsmiddelen, we echt stappen zouden kunnen maken.

Bodem

De bodem is het vergeten kindje van het weidevogelbeheer. Terwijl een gezonde bodem een goede basis is voor weidevogels én voor de kwaliteit van het gewas en gras. Er zijn inmiddels analysemethodes waarmee je de kwaliteit van je grond op een eenvoudige manier inzichtelijk kunt maken.

Iedereen heeft het tegenwoordig over de bodem en het bodemleven, maar als je bij een doorsnee boer aan de keukentafel zit, ontbreekt vaak de kennis wat hij daaraan zou kunnen doen. Behalve ruige mest gebruiken misschien. En bokashi of composteren. Maar ook voor  deze processen geldt: hoe doe je dat precies? Wanneer doe je het goed?

Ik zie hier een rol voor De Collectieven. Wij zouden boeren praktische handvatten kunnen bieden. En als je een beetje inventief bent, hoeft dat volgens mij ook niet duur te zijn.

Ik verwacht ook een positieve impuls voor de biodiversiteit wanneer vanaf 2020 de vergroeningseisen worden aangescherpt. Boeren krijgen nu een basispremie en een vergroeningspremie van de overheid. De verwachting is dat er aan de vergroeningspremie meer eisen zullen worden gesteld. Ik hoop vooral dat de weidevogels hiervan zullen profiteren!

Lees ook de verhalen van de andere koplopers:

Interview met Rick Hoksbergen
Interview met Martien Lankester
Interview met Henk Luinge
Interview met Friederike Liebmann
Interview met Marcia de Graaff
Interview met Jan Craens
Interview met Jeroen van Zuijlen
Interview met Hinke Fiona Cnossen
Interview met de familie Wiersma
Interview met Theo Mulder
Interview met Eddy en Agnieta Reuvekamp
Interview met Peter Dekens
Interview met Anja Kanters en Elwin de Vink
Interview met Anna en Eliza Janse

Rick Hoksbergen

Interview met Rick Hoksbergen

Op de landelijke website van Alfa Accountants en adviseurs staat het volgende vermeld: “Alfa is geen duurzaamheidsactivist, maar begrijpt het algehele belang van het ontwikkelen van een duurzame economie.” Volgens Rick Hoksbergen (43), relatiemanager bij de vestiging Leeuwarden, betekent dat vooral, dat hij en zijn collega’s kiezen voor denken op de lange termijn.

“ Kleine stapjes van de grote groep hebben meer effect, dan grote van een paar koplopers. ”

Rick: “Binnen de financiële wereld is het van belang dat iemand de hypotheek over 30 jaar nog kan betalen. Bovendien willen we op een positieve manier aan de samenleving bijdragen. We proberen het goede voorbeeld te geven door energiezuinige auto’s te rijden, minder papier te gebruiken, duurzame projecten te steunen en energieneutrale panden te bouwen.

Adviezen

We hebben veel agrariërs in ons klantenbestand en als we met hun de jaarrapportages of tussentijdse cijfers bespreken, stel ik zaken als vermindering van het gebruik van kunstmest, energie, gewasbeschermingsmiddelen en antibiotica aan de orde. Daarbij ga ik wel altijd uit van financiële duurzaamheid. Een ondernemer moet er financieel mee vooruit kunnen. Het belangrijkste is dat iemand zijn onderneming runt op een manier, die bij zijn persoonlijkheid past. Je ziet nogal vaak dat boeren naar de buren kijken en denken dat ze niet achter kunnen blijven. Het is heel belangrijk dat ze zich afvragen waar ze nu echt blij van worden. Als iemand van nature het manager type is, moet hij misschien meer koeien gaan melken, maar geniet een boer vooral van het contact met zijn dieren en de seizoenen, dan is dat waarschijnlijk juist niet verstandig.

Voldoening

Ik ervaar veel voldoening in mijn vak, als ik er achter kom wat iemand drijft en wanneer ik hem kan helpen daar gestalte aan te geven. Dan kom je dichtbij mensen en kun je echt iets van waarde aan hun leven toevoegen. Of de voerkosten dan 10 of 9 cent zijn, maakt me niet zoveel uit. Daarin ben ik veranderd. Dat zal wel door de leeftijd en door levenservaring komen: materiële waarden zijn minder belangrijk geworden. Wat niet weg neemt dat mensen hun financiën als levensbepalend kunnen ervaren. Vaak helpt het de kop van iemands financiering af te halen. Dan ontstaat er ruimte om eventueel andere keuzes te maken. Door het streven naar groei lopen sommige ondernemers zichzelf voorbij. Het is belangrijk goed over uitbreiding na te denken, want je kunt heel moeilijk terug. Wanneer een boer eenmaal financiering heeft gekregen voor een stal die gebouwd is op 300 koeien, zal een bank niet akkoord gaan met een veestapel van 100 koeien. Als een boer vervolgens die 300 koeien niet aan blijkt te kunnen, of er geen plezier in heeft, krijg je een situatie die psychisch én financieel niet duurzaam is.

Schaalvergroting

Ik verwacht dat de algemene schaalvergroting onder boerenbedrijven door zal gaan. Veel boeren hebben immers geen opvolger en iemand die niet uit een boerengezin komt, kan moeilijk een landbouwbedrijf beginnen. Dat kost gewoon te veel geld. Het gemiddelde bedrijf zal echter niet veel groter worden dan 500 koeien: daar leent ons kleinschalige landschap zich niet voor. In de varkens- en pluimvee branche zie je ook dat er een grens is bereikt. Grote bedrijven kunnen overigens best milieu- en diervriendelijk worden ingericht. Als adviseur vind ik het belangrijk het hier samen met de klant over te hebben. Vaak zijn er drempels die te maken hebben met gevoel. Wanneer je bijvoorbeeld iets voorstelt, waar men weinig zicht op heeft, wordt er al gauw gedacht dat het wel ‘veel werk zal geven’ en ‘veel geld zal kosten’. Onbekend maakt onbemind. Ook is er sprake van trots. Trots op het bedrijf dat er zo mooi strak uitziet, tot in de puntjes onder controle is en al zoveel jaar top heeft gedraaid.
Nu de samenleving iets anders van agrariërs blijkt te verwachten, kan de drempel om een nieuw pad in te slaan hoog zijn.

Indicatoren

Het zou helpen betere indicatoren te ontwikkelen, als het gaat om dierenwelzijn en biodiversiteit. Wat dierenwelzijn betreft, gebruiken we nu bijvoorbeeld de gemiddelde leeftijd van koeien op een bedrijf als meetinstrument. Door de nieuwe fosfaatwetgeving hebben veel boeren koeien weg moeten doen. Dit heeft tot gevolg dat de gemiddelde leeftijd van de veestapels is gedaald. Betekent dat nu dat het dierenwelzijn ook is gedaald? Zo zijn er meer onduidelijkheden.

Voor de biodiversiteit kunnen we veel doen, zonder dat het veel invloed op de bedrijfsvoering heeft. Minder egaliseren bijvoorbeeld. En bloemenranden inzaaien langs slootkanten en dergelijke. Ik denk vooral aan wat je breed kunt wegzetten. Kleine stapjes van de grote groep hebben meer effect, dan grote van een paar koplopers. Al heb je die laatsten natuurlijk wel nodig om anderen te inspireren.

Martien Lankester
Interview met Martien Lankester

Martien Lankester (69) uit Iens werd 12 oktober 2018 benoemd tot Officier in de Orde van Oranje Nassau. Hij ontving deze onderscheiding als waardering voor zijn levenslange inzet voor de biologische landbouw. Martien is bijvoorbeeld directeur van de Avalon Foundation. Een organisatie die in meer dan 30 landen projecten heeft ontwikkeld en uitgevoerd, op het gebied van duurzame en biologische landbouw. Daarnaast richtte hij Stichting Soune Groun (Gezonde Bodem) op. Deze stichting wil vooral biologische landbouw in eigen land promoten.

“Het stemt mij optimistisch dat de meerderheid van de boeren zich realiseert, dat we toe zijn aan een herbezinning, als het om onze landbouwgrond gaat.”

Martien Lankester (69) uit Iens werd 12 oktober 2018 benoemd tot Officier in de Orde van Oranje Nassau. Hij ontving deze onderscheiding als waardering voor zijn levenslange inzet voor de biologische landbouw. Martien is bijvoorbeeld directeur van de Avalon Foundation. Een organisatie die in meer dan 30 landen projecten heeft ontwikkeld en uitgevoerd, op het gebied van duurzame en biologische landbouw. Daarnaast richtte hij Stichting Soune Groun (Gezonde Bodem) op. Deze stichting wil vooral biologische landbouw in eigen land promoten.

Martien vertelt:

“Eigenlijk begint het verhaal in Oost Afrika. Het waren de jaren zeventig en ik trok daar als student een tijdje liftend rond. Het toeval wilde, dat ik werd opgepikt door een Amerikaanse arts die daar met voeding bezig was. Zijn verhaal sloot aan bij mijn gedachte, dat de medische wereld eigenlijk te eenzijdig symptomatisch bezig is. Voorkomen is immers beter dan genezen.

Geïnspireerd keerde ik naar  Amsterdam terug en begon een biologisch restaurant. Naast mijn studie kon ik zo lekker met eten experimenteren. Zelf probeerde ik ook allerlei voeding uit en gaf workshops. Het was de hippietijd! Maar eigenlijk zijn mijn ideeën en voorkeuren nooit meer wezenlijk veranderd.

De boer

De boer kan de dokter van de toekomst zijn. Als we ons voedsel op een respectvolle manier verbouwen, komt dat ten goede aan de gezondheid van de aarde en uiteindelijk ook aan onze eigen gezondheid. Verder ervaar ik internationale contacten nog steeds als enorm inspirerend.

Inspiratie is belangrijk als je boeren wilt stimuleren naar een meer natuurinclusieve bedrijfsvoering om te schakelen. Daarnaast moet er kennis zijn, markt voor de nieuwe producten en hulp bij de omschakeling. Vooral dat laatste wordt nog wel eens vergeten, terwijl boeren voor grote uitdagingen staan. We zouden ze veel meer op een voetstuk moeten plaatsen en beslist meer voor hun producten moeten betalen.

Ik ben een groot voorstander van het doorrekenen van de werkelijke kosten die onze gangbare voedingswaren met zich meebrengen. Welke impact heeft die kilo half om half gehakt bijvoorbeeld op onze gezondheid, de biodiversiteit, bodem en klimaat?

Bodem

Drie jaar geleden verscheen er een rapport van de landbouwuniversiteit Wageningen over de grondkwaliteit in de Flevopolder. Deze blijkt achteruit te hollen. Net als met ons lichaam gaan we met de bodem te symptomatisch om. Als er een stofje mist, dienen we dat toe. Het liefst in grote hoeveelheden. Terwijl we beter het zelfherstellend vermogen van de bodem kunnen stimuleren.

Het stemt mij optimistisch dat de meerderheid van de boeren zich momenteel realiseert, dat we toe zijn aan een herbezinning, als het om onze landbouwgrond gaat. Het is letterlijk de bodem onder hun bedrijfsvoering en ze voelen op hun symbolische klompen aan, dat het anders moet. Al in 1990 richtte ik daarom Stichting Soune Groun op, om de biologische landbouw in Friesland te promoten. Maar toen leefde dit besef nog niet zoals nu.

Natuurinclusief

Alle landbouw zou natuurinclusief moeten zijn. We moeten natuurinclusief echter wel beter definiëren, anders wordt het een containerbegrip, net zoals duurzaam. Ik ben ervan overtuigd dat we met biologische landbouw de wereld kunnen voeden, mits we dat op de goede plekken doen. Daarom heb ik in 1991 Stichting Avalon Foundation opgericht. Om de biologische landbouw ook internationaal te stimuleren.

We gaan bij voorkeur in op verzoeken van lokale organisaties en onze hulp kan van alles behelzen: opleidingen, advies, voorbeeldbedrijven, enz. In het buitenland wordt landbouw meestal veel kleinschaliger bedreven dan bij ons. En meestal door vrouwen. Door de groene revolutie, waarin onze Westerse landbouwmethoden aan de rest van de wereld zijn opgedrongen, is veel van hun traditionele kennis verloren gegaan, of op de achtergrond geraakt. Vaak zijn ze al enorm geholpen met praktisch advies over basiszaken als compostgebruik en vruchtwisseling (niet te vaak hetzelfde gewas op dezelfde plek verbouwen).

Contacten

In Kroatië hebben we echter jarenlang aan een meer beleidsmatig project gewerkt. Dat land was tot de Europese Unie toegetreden en moest dus aan onze Europese wetgeving voldoen. We hebben er Natura 2000 geïmplementeerd, een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. De Wereldbank financierde dat.

In Bulgarije deden we weer iets heel anders. Daar was een prachtig natuurgebied, maar met noodlijdende boeren. Met geld van de Postcode Loterij hebben we daar geholpen een duurzaam bed & breakfast systeem op te zetten om boeren te helpen aan extra inkomsten.

Het mooiste van dit werk vind ik de contacten met al die verschillende mensen. Sommigen beschikken over ontzettend beperkte middelen en doen toch zo hun best.

Ik was bijvoorbeeld in Kyrgyzstan boeren aan het trainen met betrekking tot compost. Een groepje was druk in een bult compost aan het scheppen, die ze net op het land hadden gebracht. Toen ik vroeg wat ze aan het doen waren, bleek dat ze wormen zochten om terug te brengen naar hun composthoop. Ik had immers verteld dat die cruciaal zijn voor het composteringsproces. Ik moest ze geruststellen dat die er vanzelf wel weer in komen. Prachtig toch?”

Henk Luinge

Interview met Henk Luinge

Een slager die zichzelf dierenvriend noemt, dat is Henk Luinge, sinds vier jaar de eigenaar en directeur van Kroon Vlees te Groningen. De dieren die hij slacht komen voornamelijk van bedrijven uit de noordelijke provincies. Het bedrijf is SKAL gecertificeerd en daardoor kan hij ook biologisch vlees leveren.

“Ons hele slachthuis is zo ingericht dat de dieren zo weinig mogelijk stress ondervinden.”

Henk vertelt:

“Vroeger slachtte iedere slager zijn eigen dieren. Vanwege alle controle en administratieve rompslomp is die taak inmiddels grotendeels overgenomen door slachthuizen als de onze. De slagers benen het dier vervolgens uit en verkopen de onderdelen aan de consument. Het nadeel van de nieuwe constructie is, dat er soms grote afstanden met de dieren moet worden afgelegd. Wij willen dat zoveel mogelijk beperken en richten ons daarom op de lokale markt, zodat het een duurzaam product wordt.

Controle

De Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA) heeft hier een kantoortje en is op slachtdagen aanwezig om te controleren of alle papieren in orde zijn en toe te zien op het dierenwelzijn. Na deze inspectie dragen ze hun verantwoordelijkheid over aan een medewerker van KDS (Kwaliteitskeuring Dierlijke Sector). Zij keuren het hele slachtproces plus de karkassen en organen.

Ons hele slachthuis is zo ingericht dat de dieren zo weinig mogelijk stress ondervinden. Ze worden in ruime, comfortabele stallen ondergebracht, krijgen te eten en te drinken en kunnen maar één kant op naar de slachthal. Bovendien gaat het personeel rustig en bekwaam met ze om.

Rust is belangrijk voor het dier, maar ook voor het vlees. In vlees van een varken dat veel stress heeft gehad, zie je bijvoorbeeld bloedpuntjes. Een gestresst rund levert vlees op met een hoge pH. Daardoor wordt het vlees kleverig, donker van kleur en neemt het bijna geen kruiden op. Ook de houdbaarheid van het vlees loopt erdoor terug. Dat vlees wil je gewoon niet!

Rust

Kleine dingen kunnen een groot verschil maken. De veerijder die onze varkens ophaalt, strooit zaagsel in zijn vrachtwagen, zodat de vloer minder glad is. Ook heeft hij een minder steile laadklep, zodat de dieren rustiger naar buiten kunnen wandelen en is hij zelf heel kalm. We hebben gemerkt dat de kwaliteit van het vlees door al deze veranderingen beter is geworden.

Kroon Vlees probeert zich te onderscheiden door op dit soort dingen te letten. Organisaties als Staatsbosbeheer en het Drents Landschap zijn daar gevoelig voor. De Konikpaarden uit het Lauwersmeergebied worden in koppels aangevoerd. Dat stelt ze gerust. We hebben onlangs de betonnen vloer ook opgeruwd, zodat de dieren minder snel uitglijden. Schotse Hooglanders uit Drenthe hoeven ook niet meer uren te reizen, voordat ze geslacht kunnen worden. Ze zijn hier zo, krijgen wat hooi en als ze tot rust gekomen zijn, worden ze naar de slacht geleid.

Vergrootglas

Slachthuizen liggen momenteel onder een vergrootglas, doordat her en der misstanden zijn gesignaleerd. Een belangrijk punt is dat dieren meteen helemaal dood moeten zijn, om niet onnodig te hoeven te lijden.

Varkens worden elektrisch bedwelmd. Dat wil zeggen dat ze door middel van een apparaat een stroomstoot op hun kop krijgen toegediend. Voor de zekerheid daarna ook nog in de hartstreek. Ze zijn dan hersendood. Bij een varken met veel stress is de bedwelming soms iets minder effectief en ook daarom is het belangrijk dat de dieren rustig zijn. Na de bedwelming wordt het dier opgetakeld en gestoken, zodat het kan verbloeden. Als het leeggebloed is, wordt het varken verder verwerkt.

Koeien en paarden worden bedwelmd met een schietmasker. Daarmee zijn ze meteen dood. Het is zo’n diervriendelijke methode dat paardenliefhebbers hun paard hier soms brengen om geëuthanaseerd te worden, in plaats van dat ze de hulp van een veearts inroepen.

Hoofdprijs

We verwerken veel biologisch vlees. De meeste bio boeren willen lokaal en verantwoord slachten. Ze zijn uit overtuiging bio geworden en willen dat het laatste traject van een dier ook goed verloopt. De Westerse consument eet steeds minder vlees, maar als hij vlees eet, moet het van goede kwaliteit zijn. Verder spreekt het volgens mij boekdelen dat in de hele branche personeel een moeilijk punt is, terwijl wij geen problemen hebben om goede mensen te vinden.

Ik ga niet voor een topwinst, maar sluit me aan bij het gedachtegoed van de oude eigenaar Rieks Kroon. De familie Kroon ging al sinds 1870 voor continuïteit en kwaliteit. De heer Rieks Kroon vroeg dan ook niet de hoofdprijs bij de overname. Hij wilde vooral dat het bedrijf bleef bestaan, zijn goede naam hoog zou worden gehouden en dat de medewerkers hun zekerheden niet kwijt zouden raken. Uitbreiding zit er niet in, maar dat vind ik niet erg: het draait bij ons om kwaliteit. Daar kun je ook in groeien.”

Friederike Liebmann

Interview met Friederike Liebmann

Verstopt achter de kerk van het dorpje Peins, runt Friederike Liebmann (52) haar (web)winkel in ecokleding onder de naam Pure Matters. Ze is gespecialiseerd in wol en heeft van alles in huis: fijn gebreide vestjes, warme truien, vrolijke mutsen, sjaals, rokken, enz.

“Nu wil hij niet meer anders. Vanwege het idee, maar óók vanwege het comfort.”

Friederike:

“Veel mensen zien wol als een natuurproduct. Maar helaas kan er een erg vervuilende industrie achter zitten. Daarin speelt dierenwelzijn nauwelijks een rol. Als je bij goedkope winkelketens een trui van merino wol koopt, is de kans groot dat deze wol van schapen uit Australië afkomstig is. Ze worden er in enorme kuddes gehouden en mulesing is er nog de gangbare praktijk.

Mulesing houdt in dat de huid rond het achterwerk van een schaap wordt weggesneden. Dit is een methode, om een voor schapen vaak dodelijke infectie, door vliegen te voorkomen. Door hun diepe huidplooien, die voordelig zijn voor een grote wolproductie en waarop deze schapen gefokt worden, zijn merino schapen in Australië en Nieuwzeeland gevoelig voor deze infecties. Mulesing is een extreem pijnlijke behandeling, die vaak onverdoofd wordt uitgevoerd.

Fijner werk

De merinowollen producten die ik verkoop zijn allemaal biologisch. De wol is afkomstig van een biologische veehouderij uit Zuid Amerika en de schapen lopen er op grote hoogte, in de vrije natuur. Ze worden goed behandeld en hebben een bijzonder zachte vacht. De dieren worden ook niet preventief met gifstoffen en medicijnen behandeld (in Australië worden de kuddes vaak door een ‘pesticide bad’ gedreven) en de wol is daardoor vrij van schadelijke stoffen.

Het zou natuurlijk ideaal zijn, als we alleen maar wol van Europese schapen zouden kunnen gebruiken, maar helaas leveren deze meestal een veel ruigere soort. Goed voor sokken, dekbedden of viltstoffen, maar ongeschikt voor het fijnere werk.

Duitsland

Alle merken in mijn winkel hebben het strenge IVN Naturtextil of GOTS keurmerk voor hun merinowol producten. Dat betekent dat de hele keten, van begin tot eind, transparant is. Bovendien wordt de kleding in één en dezelfde streek in Zuid Duitsland geconfectioneerd, gebreid en genaaid.

Deze streek heet de Schwäbische Alb en het toeval wil nu, dat ik daar ben opgegroeid! Ik kwam er achter dat het dé regio voor gebreide textielwaren in Duitsland is.

Veertien jaar geleden had ik een mutsje nodig voor mijn toen tweejarige dochter. Ik was in de Schwäbische Alb op vakantie en ontdekte dat daar een keur aan biologische kleding wordt geproduceerd. Vol bewondering maakte ik kennis met al die mooie stoffen en kleuren. Thuisgekomen bleek dat mijn vriendinnen ook enthousiast waren, dus ik begon koffers vol spullen naar Nederland te importeren. Zo is het begonnen.

Klandizie

In Peins en omgeving verkoop ik niet het meeste. De gedachte dat wol duur is en kriebelt overheerst. Mijn klandizie komt vooral uit de grotere steden en inmiddels ook uit België. Vorige week belde een mevrouw, die zeven jaar geleden een wollen fleecevest had gekocht. Ze had het veel gedragen en wilde nu een nieuwe. Jarenlang heeft ze plezier gehad van dit ene vest en daardoor was ze Pure Matters niet vergeten. Dit soort dingen overkomt me vaak. Ik merk dat de aandacht voor duurzame kleding groeit. Dat is positief, maar hierdoor stijgt de concurrentie ook. Toch ga ik niet mee in de strijd om nieuwe markten. Ik ben me alleen maar meer gaan concentreren op de wereld van kwaliteit, duurzaamheid en de tevreden klant.

Comfort

Soms overweeg ik te stoppen met de kledingverkoop: dan wil ik niet meer deel uitmaken van de commercie, die ons alsmaar meer wil laten consumeren. Toch ga ik voorlopig door, omdat ik hoop bij te dragen aan de bewustzijns- en de smaakontwikkeling van de consument en haar waardering van kwaliteit. Dit heeft een lange adem nodig.

Een bijkomend voordeel van de producten die ik verkoop, is dat ze zo lang meegaan. Je hoeft niet telkens iets nieuws aan te schaffen. Misschien is dit slecht voor mijn omzet, maar het is beslist beter voor de aarde!

Laatst had ik een klant voor een fleecevest. Hij was gewend aan die goedkope, synthetische exemplaren. Maar het idee dat bij iedere wasbeurt microplastic deeltjes in het milieu terecht komen, was hem zo tegen gaan staan, dat hij besloot in een eerlijk natuurproduct te investeren. Nu wil hij niet meer anders. Vanwege het idee, maar óók vanwege het comfort.

Hier word ik blij van: dat ik eraan kan bijdragen, dat mensen een bewustere keuze kunnen maken!”

 

Marcia De Graaff

Interview met Marcia de Graaff

Marcia de Graaff (35) wil het allemaal anders doen. Je zou haar een eco hippie kunnen noemen, wars van materialisme en met als hoogste ideaal: leven in harmonie met de natuur. Ze woont in een kleine caravan op het terrein van een boerderij nabij Workum. Met haar eenvrouwsbedrijf IERDE Ideeën en Produksjes probeert ze, ook professioneel, een bijdrage te leveren aan een betere wereld.

“Als je een pak melk koopt, koop je ook een stukje landschap.”

Marcia:

“Ik probeer mensen bij de natuur en het landschap te betrekken door speciale evenementen en projecten te organiseren. Veel mensen zijn de relatie met hun omgeving kwijt en hebben een aanleiding of steuntje nodig, om die verbinding te herstellen. Met mijn projecten laat ik zien hoe mooi de natuur is, hoe kwetsbaar en wat je er zelf voor zou kunnen betekenen. Culturele diversiteit en biodiversiteit hebben met elkaar te maken: verscheidenheid is voor mij rijkdom. Daarom hecht ik er ook aan Fries te spreken, terwijl dat niet mijn moedertaal is.

Momenteel ben ik creatief projectleider van Cultureel Paspoort Koningsdiep/de Boarn, in opdracht van de Friese Milieufederatie. Kinderen van de basisschoolklassen groep zeven en acht krijgen een paspoort, met bestemmingen in het landschap rondom de rivier Koningsdiep en de Boarn. Als ze die plaatsen bezoeken, wordt er gestempeld en leren ze de cultuurhistorie van het landschap daar kennen. Erg leuk om te doen en ik steek er zelf ook wat van op: bijvoorbeeld hoe sterk grondsoort de cultuur van een plek beïnvloedt. Daar was ik me nooit zo van bewust.

Medicijn

Ik heb altijd een sterk gevoel van rechtvaardigheid gehad en een grote liefde voor de natuur. Ook het verlangen naar puurheid en ‘oer’ speelde altijd een rol in mijn leven. Deze gevoelens werden nog sterker na een ziekteperiode. Ik was ziek, maar doordat ik  de verkeerde medicijnen toegediend kreeg, werd ik uiteindelijk veel zieker. Dit heeft een enorme impact gehad op mijn lijf én mijn denken.

Ik werd boos op de farmaceutische industrie. Ze doen ook dingen goed, maar door hun commerciële drive veroorzaken ze daarnaast veel ellende. Overal zijn tegenwoordig pilletjes voor en soms lijkt het alsof je niet ziek mag zijn. Terwijl dat bij het leven hoort. Ik wilde echter niet in boosheid blijven hangen en besloot te laten zien, dat het ook anders kan. Ik geloof bijvoorbeeld in voeding als medicijn en eet zo veel mogelijk gezonde, biologische producten.

Maar hoe wordt voeding verbouwd? Om een gedegen antwoord te krijgen op die vraag en om zelf meer verbinding te maken met het landschap, ben ik me in de landbouw gaan verdiepen. Ik werk op een biologisch bedrijf en doe de biologische landbouw opleiding Warmonderhof in deeltijd.

Milieudiscussie

Ik vind dat de milieudiscussie in Friesland te veel over boeren gaat. Iedereen is ook consument en kan als zodanig voor het land zorgen. Als je een pak melk koopt, koop je ook een stukje landschap. Hoe wil jij dat dat landschap er uitziet? Voor ik hier kwam wonen, had ik nog nooit van de grutto gehoord. ‘Wat is dat?’ vroeg ik de boer waarvoor ik werkte. ‘Luister, het is die vogel die zijn eigen naam roept,’ antwoordde hij. Ik vond het toen raar dat een grutto geen Fries spreekt. Inmiddels heb ik veel geleerd over dit symbool van de teloorgang van het weidelandschap. En door die kennis ben ik van het dier gaan houden. Zo is het met alles: door kennis ontstaat verbinding.

Doordat ik met culturele projecten bezig wilde, kwam ik in aanraking met Culturele Hoofdstad en daardoor weer met Kening fan ‘e Greide; de beweging die zich inzet voor de toekomst van het weidelandschap. Ik bezoek hun bijeenkomsten en heb er vrienden gemaakt. Toch vind ik het jammer, dat ik er zo weinig mensen van mijn eigen leeftijd tegenkom. Dat zal wel te maken hebben met het feit, dat wij ons ‘de gouden tijd van de weidevogels’ niet herinneren. En die bijeenkomsten zijn toch vaak vieringen van nostalgie.

 Verlangen

Mijn verlangen is niet een verlangen naar vroeger, maar naar wildernis. Ik ben me ervan bewust dat dat ook niet realistisch is, gezien ons cultuurlandschap. Toch is het mijn drijfveer, én die van sommige leeftijdsgenoten, denk ik. De film Into the Wild verbeeldt dat gevoel heel mooi. Overigens ben ik wel in onze cultuurhistorie geïnteresseerd. Vooral de tijd van de kleinschalige, gemengde landbouwbedrijfjes boeit me. Ik denk dat men toen harmonieuzer met de natuur omging. Aan de andere kant word ik steeds meer geconfronteerd met het feit dat landbouw altijd inbreuk maakt op de natuur. Je wilt als boer de natuur per definitie manipuleren. Dat vind ik moeilijk. Toch denk ik dat mijn toekomst in de landbouw ligt. Al blijft het een zoektocht hoe en leer ik iedere dag.

Ondertussen geniet ik van al het moois om me heen. Neem nu de Workumerwaard. Van een afstand lijkt het een saaie vlakte, maar als je er bent, hoor en zie je zoveel leven! En heb je de pompoenen op onze boerderij al gezien? Wat zijn dat prachtige planten!”

Jan Craens

Interview met Jan Craens

Jan Craens (65) is de eigenaar en meester kaasmaker van Kaaslust. Een ambachtelijke kaasmakerij, gevestigd in de gerestaureerde zuivelfabriek van Veenhuizen. De biologische landbouw is een rode draad in zijn leven. Hij was boer en adviseur biologische landbouw. Jan vertelt:

“De consument wil best betalen. Alles zou biologisch geteeld kunnen worden.”

“We begonnen ongeveer zes jaar geleden met kaas van gangbare melk, maar inmiddels zijn we al drie jaar biologisch. Dat was voor mij en mijn vrouw Wennie een logische keuze. Wennie heeft de Warmonderhof gedaan, een opleidingsinstituut voor biologische landbouw in Dronten. Ik studeerde levensmiddelentechnologie en samen woonden we, begin jaren zeventig, in de alternatieve leefgemeenschap De Kleine Aarde te Boxtel. Ik was toen één van de eersten die een biologische groothandel opzette. Ook bouwde ik een biogasinstallatie.

Club van Rome

Het was de tijd van de Club van Rome. Een particuliere stichting die in 1968 werd opgericht door Europese wetenschappers, om hun bezorgdheid over de toekomst van de wereld voor het voetlicht te brengen. Wij vonden dat we iets moesten doen: minder aardolie en kunstmest gebruiken, geen bestrijdingsmiddelen en een andere manier van voedsel produceren.

Vandaag de dag leven nog dezelfde zorgen omtrent de toekomst van onze planeet. Maar het is bemoedigend te zien, dat dingen kunnen veranderen. Ik herinner me hoe vrienden vroeger provisorische windmolens in elkaar knutselden. Inmiddels staan er hele hightech parken van die dingen. En neem nu aardgas, de laatste tien jaar blijkt dat we er ook zonder kunnen. Ons hele bedrijf draait op zonne energie en houtpellets.

Boerderijtje

In 1979 kochten we een boerderijtje in Friesland. Ik sloot een overeenkomst met het Fryske Gea. Wij zouden hun natuurgebied beheren door onze koeien in hun gebied te weiden. Met dat pachtcontract ging ik naar de bank en zo kreeg ik krediet. Ik heb nooit meegedaan aan het model van steeds hogere productie per hectare en per koe. Daarnaast wilde ik niet vastzitten in torenhoge financieringen. Ik wilde vrij zijn om steeds weer iets nieuws te ontwikkelen.

Daarbij ben ik heel liberaal. Ik vind dat je altijd moet kijken naar wat financieel haalbaar is. Momenteel is de markt voor biologische producten heel goed. Mensen zijn bereid meer te betalen voor een goede kaas, dus bied ik het aan. Ik speel dus in op de markt. Aan de andere kant creëer ik ook markt. Ik wil mensen verleiden voor biologische kaas te kiezen, door een mooi, lekker en verantwoord product aan te bieden. Met Kaaslust wil ik markt creëren voor biologische melk. Als dat niet was gelukt, had ik nu weer wat anders gedaan, maar die markt is er dus.

Antwoord

In de jaren tachtig kregen we eens een delegatie van de LTO op visite. Ze vonden zo’n biologisch boerderijtje wel grappig. Ik adviseerde hen toen al, om hun klanten eens te vragen wat ze eigenlijk wilden. Het antwoord van de boeren zou mijns inziens moeten zijn: Dat kan hoor en dat kost het! Zo’n benadering is veel constructiever dan de gebruikelijke reactie: hakken in het zand en herhalen dat ze het echt niet zo slecht doen.

De consument wil best betalen. Alles zou biologisch geteeld kunnen worden. Het probleem zit bij de organisaties. Je moet het willen organiseren. Wij zijn nu bijvoorbeeld bezig met een Franse groothandel. Die is van plan heel veel kaas van ons af te nemen. Waarom zit FrieslandCampina niet met hun aan tafel? Zij kunnen dat toch veel beter dan wij?!

Ze willen niet echt inzetten op biologisch, want wat is er mis met gangbaar? Is dat dan niet goed genoeg? Dat soort vragen krijg je steeds.

Keurmerk

Het voordeel van biologische producten is dat ze een duidelijk keurmerk hebben. En duidelijkheid is heel belangrijk voor de consument. Je moet simpel en helder communiceren. Verder is het handig partijen te vinden die grotere volumes kunnen afnemen, supermarktketens bijvoorbeeld. En pas je product aan aan de wensen van de klant. Biologische wortelen worden nu bijvoorbeeld in mooie, schone bakjes verkocht. Dat heeft de klant liever dan dat hij of zij ze uit een grote kist moet opvissen, zoals in natuurvoedingswinkels gebruikelijk was.

Ik wil laten zien dat het kan: markt creëren voor een biologische landbouw. Ik ben weliswaar ook adviseur, maar ik vind het belangrijk feiten te stellen. Je kunt blijven vergaderen, maar ik besloot kaas te gaan maken. Iets tastbaars neer te zetten. En dan is het een kwestie van instappen of niet: de trein gaat verder.”

Jeroen van zuijlen

Interview met Jeroen van Zuijlen

Jeroen van Zuijlen is kok. Een kok met een kunstenaarsopleiding. Deze ongebruikelijke achtergrond leidt tot verrassende gerechten én inzichten. Onder de bedrijfsnaam ‘Heer van Zuijlen’ verzorgt hij catering, kookt hij op locatie en geeft hij workshops. Ik spreek met hem aan de keukentafel van zijn karakteristieke pandje, in het centrum van Akkrum.

“Smaak verrijkt je leven én kan tot een meer bewuste omgang met onze grond, dieren en planten leiden.”

Jeroen:

“Mijn werk heeft veel met landbouw en duurzaamheid te maken. Neem nu wijn. Als francofiel houd ik van een goed glas. De smaak van wijn wordt grotendeels bepaald door de grondsoort waarop druiven worden verbouwd. Wijn van uitgeputte grond is minder lekker.

Ik ben lyrisch over de groenten van zelfoogsttuin Ús Hôf. Deze worden verbouwd volgens de principes van permacultuur, zijn onbespoten en kraakvers. Daar hoef ik eigenlijk niets meer aan te doen. Vooral hun bieten zijn voortreffelijk. Als ik daar rondloop, ben ik voortdurend aan het ruiken en het proeven, trek de rauwe groenten gewoon uit de grond.

Smaak

Smaak is voor mij heel belangrijk en mijn favoriete onderwerp om over te twisten. Goede, eerlijke ingrediënten zijn cruciaal voor een lekker product. Maar natuurlijk speelt ook beleving een grote rol. Mooie borden, een sfeervolle omgeving, kleurrijke presentatie; het draagt allemaal bij aan hoe mensen smaak ervaren. Daarnaast is ook je jeugd en andere levenservaring belangrijk. Mijn moeder kon heel goed koken en mijn broer is ook kok. We gingen vaak naar Frankrijk op vakantie en genoten daar in alle rust van de Bourgondische keuken. Dat soort dingen vormen je.

Smaak verrijkt je leven én kan tot een meer bewuste omgang met onze grond, dieren en planten leiden. Goede ingrediënten verkrijg je immers het beste op een duurzame manier. Nederland heeft geen verfijnde eetcultuur, maar ik zie toch positieve ontwikkelingen. Ik help mensen hun smaak te ontwikkelen door ze te laten proeven, te vertellen en mijn passie te laten zien. Dat werkt aanstekelijk, merk ik.

Basisschool

Ik heb me ingezet voor een moestuin bij de basisschool waar mijn kinderen op zaten. Kinderen zijn daar gemakkelijk enthousiast voor te maken. En zo leren ze wat voedsel is: hoe het groeit en wat het daarvoor nodig heeft. In de praktijk begint het met aardbeien. Laat ze proeven en dan de ene aardbei met de andere vergelijken. Dat vinden ze interessant. Bovendien is het voor kinderen heel gezond om fysiek met grond en planten bezig te zijn.

Mijn inspiratie haal ik overal vandaan en ik volg de gastronomische ontwikkelingen. Het Catalaanse restaurant El Bulli vond ik bijvoorbeeld geweldig. Zij gebruikten gewone ingrediënten en gingen daar vervolgens heel creatief mee om. Op dit moment doet sterrenrestaurant Osteria Francescana in Modena mooie dingen met de Italiaanse culinaire traditie. Maar het kan ook zijn dat ik iets heel nieuws bedenk door wat mijn buurvrouw op tafel zet…

Ik heb geen koksopleiding gedaan, maar ben van oorsprong kunstenaar. Daarnaast ben ik ook nog jaren een verwoed verzamelaar geweest van antiek en brocante. Nu verzamel ik smaken, denk ik wel eens. Vooral smaken uit het Middellandse Zeegebied, met uitstapjes naar het Midden Oosten. Hierop baseer ik mijn gerechten, en die blijf ik ontwikkelen. Commercieel gezien, is dat niet slim. Als iets erg in de smaak valt, kun je dat beter een tijdje uitbuiten. Ik blijf echter altijd het avontuur zoeken: er is nog zoveel te ontdekken en te leren!

Gezond

Ik was al een tijdje vegetariër, toen ik in Marseille een speciale salami worst rook: zó verrukkelijk! Die geur is me zeven jaar bijgebleven. Toen ik weer in Marseille was en die worst opnieuw rook, heb ik hem opgegeten en was ik vegetariër af.

Momenteel is gezonde voeding een hype. Eerlijk gezegd, houd ik me daar niet zo mee bezig. Wat is gezond? Niet te veel en van alles wat, denk ik altijd maar. En natuurlijk geen troep: geen genetisch gemanipuleerde producten, geen e-nummers, bespoten producten. Puur natuur is de beste basis.

Het is niet te bewijzen, maar waarschijnlijk krijgen steeds meer mensen kanker door de manier waarop ons voedsel bewerkt is. En al die allergieën komen misschien wel, omdat ons immuunsysteem op hol slaat. Dat heeft namelijk veel te weinig te doen: alles is gesteriliseerd of gepasteuriseerd.

Eet vooral producten van het seizoen, zou ik willen adviseren. Dat is op dat moment het beste op smaak én bevat de voedingsstoffen die je dan nodig hebt. Maar bovenal: geniet!

Smakelijk eten.

Interview met Hinke Fiona Cnossen

Hinke Fiona Cnossen zette zich jaren in voor het behoud van zeldzame huisdieren, zoals: de Groninger Blaarkop, de Lakenvelder, het Groninger Paard, het Nederlands Landvarken, de Friese Hoen, de Fryske Wetterhoun enzovoort. Ze deed dit vooral als foktechnisch inspecteur voor de Stichting Zeldzame Huisdierrassen. Nu ze als adviseur voor Royal Agrifirm werkt, draagt ze hobbymatig haar steentje bij.

“Biodiversiteit gaat óók over de genetische variatie van onze landbouwhuisdieren en gewassen.

Hinke:

“Ik ben altijd een dierenliefhebber geweest en blijkbaar is mijn bijnaam ‘De Zeldzame’. Door de moderne fok- en teeltmethoden zijn er economisch gezien weinig rassen nodig. Deze zijn voor dit moment en voor deze omstandigheden misschien superieur, maar wat als de omstandigheden veranderen? Dan kan het heel belangrijk blijken, dat er nog oude rassen zijn. Deze kunnen over juist die erfelijke eigenschappen beschikken, die we dan nodig hebben. Biodiversiteit is belangrijk en gaat óók over de genetische variatie van onze landbouwhuisdieren en gewassen.

Genenpool

Tegenwoordig worden boeren gestimuleerd om hun koeien in de wei te laten grazen. Hierdoor winnen de wat robuustere runderrassen als de Blaarkop, Fries Hollands en MRIJ weer aan populariteit. Of worden kruisingen met deze rassen interessant. Oude rassen kunnen dus zomaar van pas komen.

Ik heb zelf een zwak voor het Groninger Paard, vroeger ook wel Bovenlander genoemd. Dit type paard werd in Groningen, Drenthe en Friesland als boerenpaard gebruikt. In het Friesch Paarden Stamboek van 1897 maakte men al onderscheid tussen het Bovenlandsche Paard en het Friesche Paard.

Het zijn bijzonder brave en sterke dieren. Ideaal voor de moderne mens die niet zoveel tijd heeft. Of de wat oudere mens: ik ben net vijftig geworden en kan er met een gerust hart op wegrijden.

Bestuur

Ik zit in het bestuur van Vereniging Het Groninger Paard. Met activiteiten als keuringen en shows, proberen we dit ras onder de aandacht te brengen van een groeiende groep liefhebbers.

Het gros van de mensen wil een paard om op te rijden, niet om mee te fokken. Vroeger deden de boeren dat, maar die hebben er geen belang meer bij. Pas wanneer ze met pensioen gaan, pakken ze soms de paardenfokkerij op.

Het fokken van zeldzame huisdieren is sowieso een grote onderneming. Planten en bomen kun je misschien nog wel in je achtertuin telen, maar voor dieren heb je veel ruimte en andere middelen nodig.

Commerciële fokkerij organisaties stoppen met foklijnen, zodra deze minder geld opleveren. Neem nu het Nederlands Landvarken. Het opvallendste verschil met de huidige varkens voor de vleesindustrie is dat dit dier hangoren heeft. Verder zijn de verschillen miniem: de groeisnelheid per kilo is een paar gram minder, de spekkwaliteit misschien ook. Of ze werpen minder biggen per keer…

Varkens

Mijn zoon heeft enkele jaren geleden een zeugje voor zijn verjaardag gekregen. Dit moest natuurlijk een zeldzaam Nederlands ras zijn: het Nederlands landvarken. Nu beleven we veel plezier aan haar. Ze heet Stien en het is een echte persoonlijkheid. En daarmee komen we op nog een belangrijk punt: de binding die er van oudsher tussen mens en dier bestaat.

Varkens zijn grotendeels uit onze leefomgeving verdwenen. De varkens die we nu eten worden buiten ons gezichtsveld grootgebracht en geslacht. Er zijn hier mensen komen kijken, die eigenlijk geen idee meer hebben hoe groot een volwassen varken is.

Vroeger was het lot van mensen met dat van de dieren verbonden. Wanneer het vee stierf, stierf ook de familie, van de honger. Daarnaast werkten mens en dier zij aan zij. Ze gingen voortdurend met elkaar om. Ik denk dat dat, ook voor de moderne mens, nog steeds heilzaam is. Zelf ervaar ik dieren als heel ontspannend. Ze verrijken mijn leven. Ik zou niet zonder willen.

Cultureel erfgoed

De zeldzame Nederlandse landbouwhuisdieren behoren tot ons levend erfgoed. Ze hebben cultureel historische waarde.

Daarnaast is het belangrijk dat mensen beseffen hoeveel soorten dieren er wel niet zijn en wat dat kan betekenen. Veel mensen eten geregeld spek, maar hoeveel vragen zich af van wat voor varken dat vlees komt? En hoe het dier heeft geleefd? De meeste mensen hebben geen idee hoe varkens zich gedragen, hoe atletisch en slim ze zijn. Het echte, levende dier kennen ze niet. Laat staan dat ze beseffen dat er ook nog allerlei verschillende rassen van bestaan.

Tot slot wil ik nog even de Fryske Wetterhoun noemen. Deze traditionele Friese boerenerf hond is waaks, sterk en erg op het gezin gericht. Ik fok zo nu en dan eens een nestje. Dat valt nog niet mee. Soms duurt het een dag en een nacht voordat alle pups er zijn. Maar dan ben ik ook de koning te rijk!”

Interview met Germ Wiersma

De familie Wiersma zit al sinds 1864 in de brandstofhandel. Toen was het nog turf, dat met skûtsjes vervoerd werd. Sinds 2012 is het bedrijf Wiersma Olie & Techniek BV gevestigd in Oudehaske, van waaruit hun vrachtwagens het land ingaan om klanten van diverse brandstoffen te voorzien. De gangbare, zoals benzine en fossiele diesel, maar ook, en dat is uniek in Nederland, de 100% fossielvrije Blauwe Diesel. Deze diesel variant wordt onder de vlag van Future Fuels Wholesale verkocht.

“Ik rijd gewoon lekkerder als ik Blauwe Diesel heb getankt.”

Directeur en eigenaar Germ Wiersma:

“Ik behoor tot de vijfde generatie Wiersma’s in dit vak. De eerste generatie maakte bij de distributie van hun product gebruik van windkracht. Nu zijn wij één van de eerste echt fossielvrije bedrijven. We verwarmen het pand op groen gas, gebruiken zon- en windenergie van Nederlandse oorsprong én rijden allemaal op Blauwe Diesel.

Blauwe Diesel

Blauwe Diesel is een brandstof die op moleculair niveau sprekend op gewone, fossiele diesel lijkt. De oorsprong van dit product is echter heel anders: het wordt door de Finse olieraffinaderij Neste gemaakt van plantaardig afval uit de voedingsmiddelenindustrie. Wanneer de machines waarmee Calvé pindakaas wordt geproduceerd, gereinigd worden, levert dat bijvoorbeeld veel oliehoudende componenten in het afvalwater op. Daar maakt Neste Blauwe Diesel van. Zo ook van het frituurvet van Mcdonald’s, of aardappel fabrikant Aviko. En zo kan ik wel even doorgaan. De voedingsmiddelenindustrie produceert zo’n 5 miljard liter oliehoudend afval per jaar, dus het is een bijna onuitputtelijke bron.

Het mooie is natuurlijk,dat er bij Blauwe Diesel geen sprake van voedsel verdringing is, zoals bij de zogenaamde biodiesel. Daarvoor wordt immers soja, koolzaad en dergelijke verbouwd. Er wordt dus landbouwgrond gebruikt, waar je ook voedselgewassen op zou kunnen telen. Verder is die biodiesel eigenlijk niet zo goed voor motoren.

Alternatieve energiebronnen

In 1992 probeerde men al bewuster met energie om te gaan, omdat men bang was dat de aardolie op zou raken. Wij hebben toen op biodiesel ingezet. Het begon met een klant die er om vroeg:

“Hebben jullie dat?”

“Ja hoor,” was ons antwoord en toen moesten we op zoek.

We wilden natuurlijk de klant behouden, maar ik had ook net een brandstof cursus gedaan en vond het interessant. De emissie van biodiesel is heel schoon en ik begreep dat alternatieve energiebronnen de toekomst hadden: Future Fuels Wholesale werd geboren. Vanwege de nadelen die biodiesel ook heeft, bleven we echter naar verbetering zoeken. Die vonden we in 2012, toen Neste met Renewable Diesel kwam die wij nu als Blauwe Diesel in de markt zetten: Blauwe Diesel powered by Neste MY.

Deze milieuvriendelijke diesel variant is wel 10 tot 15 cent per liter duurder dan gewone diesel, maar niet duurder dan biodiesel. Bovendien is het uitstekend voor motoren. In Scandinavië rijdt de helft van het verkeer er op en inmiddels kun je in Friesland al bij 18 tankstations Blauwe Diesel tanken.

Verantwoordelijkheid

Zestig procent van de brandstof wordt niet via de pomp verkocht, maar direct aan bedrijven geleverd. Deze bedrijven hebben vaak grote voertuigen. Denk bijvoorbeeld aan de tractoren van boeren. In de personenautomarkt zal de elektrische ontwikkeling zich waarschijnlijk doorzetten, maar voor grote voertuigen ligt dat ingewikkelder.

Men werkt aan de ontwikkeling van tractoren op waterstof. Dat juich ik toe, maar er is nog veel te doen: waterstof moet je ook produceren en dat kost veel energie. Hoe schoon is die energie? Hetzelfde geldt trouwens voor elektriciteit.

Momenteel verbranden wij 16,5 miljard liter brandstof per dag, wat neerkomt op 45 miljard kilo CO2. We staan dus voor een enorme uitdaging. Ik heb niet de illusie dat wij de wereld kunnen redden met Blauwe Diesel, maar we proberen wel ons steentje bij te dragen. Die verantwoordelijkheid voel ik ook persoonlijk, en privé. Als christen geloof ik in rentmeesterschap en ik gun mijn kinderen en kleinkinderen een mooie, gezonde wereld. Hoe het ook zij: ik rijd gewoon lekkerder als ik Blauwe Diesel heb getankt!

Markt

En steeds meer mensen ervaren dat zo. Vrouwen meer als mannen, zo blijkt. Maar mannen hebben vaak wat meer tijd nodig. Afnemers van Blauwe Diesel vind je inmiddels overal. Ik noem er een paar: boeren, rondvaartbedrijven, transportbedrijven, tankstations… Staatsbosbeheer is landelijk ook helemaal overgegaan op deze milieuvriendelijke brandstof.

Behalve in Nederland en in Scandinavië wordt Blauwe Diesel ook in Canada en Californië verkocht als Neste Renewable Diesel. Maar alleen in Nederland zit er geen subsidie op. Daarom kijkt Neste met veel belangstelling naar ons landje. Het is belangrijk dat economie en milieu samengaan: alleen dan heeft duurzaamheid toekomst.

Het beleid van de Europese Unie helpt daarbij. Zij stelt het verplicht om een bepaald percentage duurzame brandstof te gebruiken. Officieel moet er bijvoorbeeld 7% biodiesel met de gewone diesel worden vermengd. Veel boeren gebruiken daarvoor liever onze blauwe diesel. Als ze op een hoger percentage uitkomen, kunnen ze soms duurzaamheidspunten scoren. Coöperaties als FrieslandCampina belonen boeren daarvoor. Zo wordt er uiteindelijk een markt gecreëerd.

We trekken er inmiddels al zevenentwintig jaar hard aan en het was pionieren, maar de resultaten worden nu zichtbaar. Dat geeft veel voldoening.”

Interview met Theo Mulder

Theo Mulder (58) drijft samen met zijn vrouw Hendrika en broer Hendrik, Mulder Agro in Kollumerzwaag. Het bedrijf handelt en adviseert in veevoeders, zaden,meststoffen en andere agrarische benodigdheden. Daarnaast verhuurt Mulder Agro landbouwvoertuigen en -machines. Het bedrijf heeft verbetering van het bodemleven als speciale missie. Aan het woord is Theo:

“Ik realiseerde me dat de grond te vergelijken is met een koeienpens.”

“Ontwikkeling gaat altijd met sprongen. Dat geldt ook voor mezelf. Toen ik als jongeling over de wereld zwierf, leerde ik veel. Maar toen ik in Nieuw Zeeland bij een boer terecht kwam, die geen kunstmest gebruikte, verklaarde ik hem eerst voor gek. Vijftien jaar later las ik het boek ‘De geheimen van een vruchtbare bodem” van Erhard Hennig. Toen viel het kwartje. Ik was veel bezig met veevoeding en bemesting en realiseerde me toen dat de grond te vergelijken is met een koeienpens.

Pens

In een pens leven allerlei bacteriën die cruciaal zijn voor de vertering van voedsel en dus voor de gezondheid en melkproductie van een koe. Het is daarom erg belangrijk wat je er in stopt. Mijn vrouw Hendrika is verpleegkundige geweest en zij verbaast zich er altijd over, dat de inname en emissie van koeien veel beter wordt gemonitord dan die van mensen. Je staat er niet bij stil, maar mensen dragen bijna 2 kg bacteriën mee in hun buik.

Met grond is het niet anders gesteld. Twee handenvol goede grond bevat meer microbiologie dan er mensen op aarde zijn. Toch zorgen we niet goed voor onze bodem. Dat komt o.a. doordat boeren steeds meer moeten produceren voor minder geld. Een liter melk is vandaag de dag net zo duur als dertig jaar geleden. Om te overleven, zat er voor de gemiddelde agrariër maar één ding op: schaalvergroting en intensivering.

Tovermiddel

Kunstmest was daarbij het tovermiddel. De productie ging omhoog, maar de kwaliteit bleef achter. De uitvinder van de kunstmest, Justus von Liebig, zag dat zelf al aankomen. Hij zei: “…als de bodem gebrek heeft aan minerale bestanddelen, dan geven ammoniumzouten (kunstmest) hetzelfde effect als brandewijn op arme mensen om hun werkkracht te verhogen, in beide gevallen is uitputting het gevolg…”

We worden gemiddeld ouder, maar zijn minder lang gezond oud. Obesitas vormt wereldwijd een grotere bedreiging van de volksgezondheid dan ondervoeding. In Nederland besteden we jaarlijks 20 miljard aan medicijnen. 90% van wat daar aan verdiend wordt, verdwijnt in de beurzen van farmaceuten. Als je dan bedenkt dat we 30 miljard aan voedsel uitgeven en dat maar 10% van die opbrengst naar de boeren gaat, is er wel wat mis.

Wageningen

Een aantal jaren terug had ik eens een professor op visite. Volgens hem was er niets aan de hand met onze bodem. Hij had een mooi wit overhemd aan en ik stond met hem aan de rand van een akker over de zaak te praten. Toen hij vervolgens verder moest om een lezing te geven, raadde ik hem aan zich te verschonen: zijn overhemd was stoffig geworden. Dat kwam door de organische stof in de lucht. Die waaide weg door een tekort aan glomaline, een lijmstof in de humus. Deze houdt, in een gezonde situatie, de grond bij elkaar.

Ik ben sinds 1995 zestig keer in Wageningen geweest en ik kwam maar twee keer met energie terug. Die keren had ik met de ecologen van het NIOO gesproken. Zij kunnen de dingen wel breder zien. Gelukkig zit er verandering in de lucht. Natuurlijk is er weerstand tegen nieuwe inzichten, maar ik merk dat steeds meer mensen ons benaderen, in plaats van andersom. Dat stemt hoopvol.

Ons doel is bemesting levend te maken. Met levend, organisch materiaal wordt de bodem weer gezond en de producten die van die bodem komen ook. Daarnaast doe je zo aan CO2 binding, vergroot je biodiversiteit, kan de bodem meer water bergen, enzovoort.

Neus

De koe gebruikt haar neus als selectiemiddel voor wat ze eet, waarmee ze haar pens voedt. De boer zou zijn neus moeten gebruiken als hij zijn grond voedt. Drijfmest stinkt bijvoorbeeld zo, omdat het een mengsel van poep en urine is. Een koe poept en plast niet tegelijk, dus die twee substanties horen niet door elkaar. Als je ze toch mengt, zoals nu de praktijk is, krijg je rotting en dat ruik je. Het gras groeit er wel van, maar het maakt de bodem en de koeien niet gezonder.

Omdat alles bij een gezonde bodem begint, organiseren wij bodem cursussen, bodembeleefdagen, symposia en lezingen. Hier komen zowel biologische als gangbare boeren op af.

Er is een mentaliteitsverandering gaande, zeker bij jonge mensen. Daarbij is het vooral belangrijk dat we er mee ophouden bacteriën vooral als vijanden te zien. Zonder bacteriën gaat alles dood. Wij ook. Daarom zijn oplossingen niet zozeer in de technische hoek te vinden, maar vooral in de biologische. Wat trouwens niet inhoudt dat we terug naar vroeger moeten! We moeten vooruit, maar op een andere manier.”

Eddy en Agnieta

Interview met Eddy en Agnieta

Eddy (50), Agnieta (50) Reuvekamp en hun drie kinderen wonen in een klassieke stolpboerderij nabij Sonnega. Een dorpje in het coulissenlandschap achter Wolvega. Ze hebben een gangbare melkveehouderij. Agnieta legt zich vooral toe op boerderij educatie, kinderfeestjes en workshops, terwijl Eddy de boer is van het stel. Ze melken 125 koeien op 68 hectare.

“Het steekt me dat de gemeente haar groen, zoals bermgras, door een commercieel bedrijf ergens ver weg, laat composteren.”

Agnieta: “We houden van nieuwe dingen. Toen ik geen werk meer had, zag ik kansen binnen de educatie. Ik nodig graag mensen uit om ons bedrijf te laten zien. Een paar keer per week komen hier bezoekers van o.a. kinderfeestjes en schoolklassen via Stichting De Boer op Noord. ‘Met hoofd, hart en handen!’ Dat is het motto van deze stichting, die kinderen wil laten kennismaken met een melkvee- of akkerbouwbedrijf in de provincies Groningen, Friesland en Drenthe. Een bezoek aan een boerderij is voor veel kinderen een onvergetelijke ervaring en ze steken er veel van op. Sommige weten bijvoorbeeld niet eens dat een koe eerst een kalfje moet krijgen voordat ze melk geeft.”

Positief

Eddy: “Het is hier netjes, maar als er bezoekers komen, doe je toch even wat extra: vers strooisel in de boxen van de koeien, vegen, controleren of alles kindveilig is. Boeren zijn vaak negatief in het nieuws, daarom is het belangrijk dat er positief tegenwicht geboden wordt.” Agnieta: “Ik organiseer ook kinderfeestjes en creatieve home-decoratie workshops. Die verbreding van de bedrijfsvoering brengt extra inkomsten met zich mee en we vinden het belangrijk om maatschappelijke redenen, maar rijk worden we er niet van. Het is financieel gezien veel aantrekkelijker een liter per koe meer te melken dan extra kinderfeestjes te geven. We hebben ook wel eens aan een camping of een bed and breakfast gedacht, maar dan heb je altijd mensen op je erf. Nu kun je dat plannen.

Mogelijkheden

Eddy: “We onderzoeken de mogelijkheden. Wat je doet, moet bij je passen. En natuurlijk slaagt niet alles wat je aanpakt. Ik heb bijvoorbeeld vier jaar lang geprobeerd een composteringsproject van de grond te krijgen. Het steekt me dat de gemeente haar groen, zoals bermgras, door een commercieel bedrijf ergens ver weg, laat composteren. Dat zou hier ook kunnen, dacht ik. Lokale verwerking past bij de circulaire economie waar we allemaal zo graag naar toe willen. En er hoeven minder vrachtwagens rond te rijden. Daarnaast kunnen wij de organische stof in de compost gebruiken om onze bodem verrijken. Maar helaas…

Het grootste struikelblok is de mestboekhouding. De stikstof en fosfaat die je op je bedrijf aanvoert, moet je ook weer afvoeren en dat gaat in dit geval dus niet. Iedereen vindt het een goed idee, maar de provincie vraagt een afvalverwerkingsvergunning en de gemeente een milieuvergunning voor buiten het bouwblok. De tijd is blijkbaar nog niet rijp.

Windmolen

Een andere grote wens van ons is een windmolen. Niet zo’n kolos, maar een kleintje die net iets hoger is als ons dak. Zo’n molen levert veel meer energie dan de zonnepanelen, die we hebben. Ze draaien immers ‘s nachts ook. Als ik er achter de stal twee neerzet, heeft niemand er last van, maar toch mag het niet van de provincie. Mestvergisters mogen wel, maar daar zie ik geen toekomst in: ze zetten organische stof om naar o.a. methaan. Terwijl juist die organische stof zo nuttig is. We moeten de kringlopen sluiten en geen roofbouw op de aarde plegen.” Agnieta: “Verder laten we de koe kiezen. Die staat bij ons centraal. We hebben ons vee jarenlang op stal gehouden, met comfortabele boxen, lekker voer, schaduw als het warm is en warmte bij kou. Dat we niet aan weidegang deden, konden we gemakkelijk aan onze bezoekers uitleggen. We verwennen ze, omdat ze topsport bedrijven. Ze geven gemiddeld 30 liter melk per koe per dag. Vanwege de weidepremie werd het echter interessant ze toch naar buiten te sturen, bovendien wil de maatschappij het. Het is natuurlijk ook een prachtig gezicht!

Discussie

Eddy: “Wat de discussie rondom natuurinclusieve landbouw betreft, vind ik dat de consument leidend is, maar dan moet die consument daar wel de prijs voor willen betalen. Er wordt teveel naar de boeren gewezen. Nu is de daling in het aantal insecten steeds in het nieuws. Dat komt echt niet alleen van de intensivering van de landbouw. De verstedelijking van Nederland is hier ook debet aan. In ons weiland ligt 1 km houtwal. Dat is van landschappelijke waarde, maar het kost ons geld. Daarom krijgen wij een vergoeding en in ruil daarvoor passen wij goed op de houtwal. Zo hoort het. Ik vind alles aan het boerenvak mooi om te doen, maar het meeste geniet ik toch van de cijfers: als die kloppen en we maken winst. Financiële duurzaamheid is cruciaal.”

Agnieta: “Natuurlijk! Maar ik vind het ook zo heerlijk om veel buiten te zijn. En de beesten te zien.”

Peter Dekens

Interview met Peter Dekens

Peter Dekens (53) woont met zijn vrouw Els (50) en hun vier kinderen op de Groningse klei. Hun adres valt onder het dorpje Sint Annen, dichtbij Bedum. Ze runnen een gangbare melkveehouderij met 90 melkkoeien op 51 hectare land. Daarbij zet Peter zich met hart en ziel in voor de weidevogels.

“Dan zitten we samen in het land met onze verrekijker en verwonderen ons over al die rijkdom.”

Peter: “Met resultaat. Het tilt hier op van de grutto’s, tureluurs en kieviten. En het trekt blijkbaar ook weer andere vogels aan. Ik heb er dit jaar namelijk al 44 verschillende soorten geteld, waaronder een kerkuil, zwarte ruiter, wulp, goudbekplevier, witgatje en vele anderen. Met een wildcamera zagen we vorig jaar 10 kemphanen. Ze zijn helaas niet blijven broeden en vertrokken na een paar weken naar Scandinavië, maar was toch heel bijzonder. En nu telden we er 40!

Gepassioneerd

Ik hield altijd al van vogels, maar de laatste jaren ben ik er echt gepassioneerd mee bezig. Dat komt vooral doordat het Collectief Midden Groningen mij twee jaar geleden vroeg om mee te doen aan hun weidevogelbeheer. Ik heb namelijk een laagte in het weiland, die heel mooi als plas dras te gebruiken is. Het Collectief heeft voor een pomp gezorgd en nu staat er, in ieder geval tot 15 juni, water in en daar houden weidevogels van.

Om het nog aantrekkelijker te maken, heb ik vorig jaar een kruidenmengsel rond de plas dras gezaaid. Daar komen insecten op af en dat is voedsel voor de kuikens. In een monocultuur van Engels raaigras verhongeren ze. Raaigras wordt bovendien erg lang, als je het niet maait, waardoor de kuikens niet weg kunnen komen, als er alarm is. En het is daaronder ook nog koud. De beestjes verkleumen er.

Ik heb mijn Engels raai graszode ondergespit en opnieuw ingezaaid. Niet doodgespoten dus, want ik gebruik zo weinig mogelijk landbouwgif. Ik merk namelijk hoezeer het loont om daarvan af te zien.

Onkruid

Nu had ik in vergelijking met andere gangbare boeren al relatief veel onkruid in mijn weiland. Dat is door persoonlijke omstandigheden gekomen. Nadat mijn oudste zoon als baby werd ingeënt, werd hij heel ziek. Zo erg dat hij gehandicapt raakte. Dit had natuurlijk een enorme impact op ons gezin en daardoor was het bedrijf lange tijd niet belangrijk: ik deed het er een beetje bij. Wat is het mooi dat dat zogenaamde onkruid nu zo belangrijk blijkt te zijn voor de vogels. Die beesten maken me zo blij. Ze ontspannen me en zijn een verrijking van mijn leven!

Vorig jaar was er groot nieuws in Groningen: de Steppekiekendief was gesignaleerd. Waar hij zich ophield, werd geheim gehouden, maar later bleek dat hij op nog geen 400 meter van mijn plas dras zat te broeden. Achteraf heb ik hem wel gezien. Ik zag een vreemde, grote vogel, die enorm veel alarm veroorzaakte boven mijn weiland. Hiermee werd me ook meteen duidelijk wat de kracht van veel vogels is. Samen vormen ze een afweergeschut, waardoor ze veiliger zijn voor predatoren.

Vrijwilligers

We hebben gelukkig geen last van vossen, steenmarters, bunzingen en dergelijke. Om dat zo te houden, laat ik geen mensen dichtbij de plas dras, want dat laat een spoor achter. De vrijwilligers van het Collectief die de nesten beschermen, komen er ook niet. De nesten lopen immers toch geen gevaar, omdat ik er niet maai, zolang er gebroed wordt. In de percelen die niet onder de 15 juni maatregel vallen, komen ze wel.

Die vrijwilligers zijn deskundiger dan ik, als het om weidevogels gaat. Ik overleg altijd met hun, voordat ik iets in het weiland ga doen. Sommige boeren moeten daar niks van hebben, maar ik heb er geen moeite mee. Integendeel, die jongens zijn altijd enthousiast en dat werkt aanstekelijk. Je hebt een gezamenlijk doel en geniet met elkaar van de resultaten.

Ondernemer

En met kleine aanpassingen kun je veel bereiken. Als ondernemer, en dat is een boer, kun je best overwegen of dit ook bij jou past. Door de maatregelen die voor fosfaatreductie genomen worden, stikken we toch in het gras. De kuil blijft gewoon achter de stallen liggen. Sla je ogen open en kijk rond, zou ik willen zeggen. Het is niet moeilijk en het levert zoveel op.

Vaak ga ik ‘s avonds met mijn jongste zoon van twaalf even naar de vogels kijken. Dan zitten we samen in het land met onze verrekijker en verwonderen ons over al die rijkdom. Mooier wordt het leven niet.”

Anja en Elwin

Interview met Anja Kanters en Elwin de Vink

Donkergroen is een hoveniersbedrijf, dat met vernieuwende groenconcepten komt. Dit landelijk opererend bedrijf heeft circa 700 medewerkers in dienst en werkt vanuit 17 locaties. Ik spreek met de directeur, Anja Kanters en Hoofd Ontwerp Elwin de Vink op het hoofdkantoor in Sneek.

“De tijdsgeest heeft veel voor ons imago gedaan.”

Anja: “Vroeger was groenvoorziening vooral een kostenpost. Met beplanting vulde je de ruimte. Als het er netjes uitzag, was je klaar. Tegenwoordig wil men iets doen met groen en is men zich bewust van de vele mogelijkheden die dat biedt. Groen staat in een positief daglicht en daar profiteren wij van. Maar we willen als Donkergroen ook een rol spelen in deze vergroening. Wij zijn ervan overtuigd dat de samenleving te lang veronachtzaamd heeft, wat de natuur ons kan bieden.

Woningen in het groen blijken meer waard te zijn; groen voorkomt stress en bevordert het concentratievermogen; kinderen die in de natuur spelen worden minder dik; kantoormedewerkers blijven gezonder wanneer er planten in hun werkruimte staan; beplanting in de openbare ruimte zorgt voor wateropvang en is een natuurlijke oplossing voor urban heating; bomen vangen fijnstof af.

Oplossingen

Dit zijn allemaal actuele thema’s waarvoor groen oplossingen biedt. En denk ook eens aan wat een rijke vegetatie doet voor de bijen en voor biodiversiteit in het algemeen!”

Elwin: “Helaas zitten we vaak vast in onze eigen wet- en regelgeving. Neem nou het thema luchtkwaliteit in klaslokalen. Daar lopen wij tegenaan bij het concept ‘frisse school’.

Lokalen zijn met ventilatiesystemen uitgerust, die precies berekend zijn op de CO2 uitstoot van een bepaald aantal kinderen. Als je een raam openzet, raakt het systeem in de war. Dus zitten die lokalen potdicht. Wij willen juist tuindeuren in de lokalen, voor buitenlessen en om sport en spel te stimuleren. Ons ideaal is dat speelpleinen integraal onderdeel van het lesprogramma worden.”

Anja: “Veel schoolpleinen bestaan voornamelijk uit tegels. Toen wij een meer natuurlijke speelomgeving creëerden, kwam er protest van de ouders: de kinderen zouden vies worden. Daarom hebben wij, bij wijze van ludieke actie, rode kinder overalletjes meegeven bij de oplevering.”

Circulair

Elwin: “Toen we twee jaar geleden een groot project voor de ABN AMRO deden, kwamen onze ambities in een stroomversnelling. We hebben namelijk de tuin van het nieuwe paviljoen bij het ABN AMRO hoofdkantoor mogen maken. Dat hele project is circulair ingericht. Circulair wil zeggen dat je zorgt dat er geen afval ontstaat. Je gaat zuinig en bewust met grondstoffen om. Nieuwe producten worden zo ontworpen, dat ze gemakkelijk hergebruikt kunnen worden. Maar je kijkt ook naar het productieproces.

Hierdoor zijn wij de inkoop van onze eigen beplanting heel anders gaan doen. We werken steeds meer met lokaal gekweekt, biologisch plantmateriaal.

Het ABN AMRO project was voor ons het bewijs dat de markt inziet, dat we een nieuwe richting op moeten. En kunnen! We besloten daar koploper in te willen worden.”

Anja: “Nu kunnen wij dat wel besluiten, maar we kunnen het niet alleen. Daarom is het cruciaal dat al onze medewerkers een omslag maken. Om dat voor elkaar te krijgen, schakelden we Stichting The Natural Step (TNS) in. Zij helpen bedrijven om duurzaamheid in hun bedrijfscultuur te verankeren. Door het hele land hielden we workshops. Dat was het begin. Je moet de boodschap blijven herhalen. Ik laat bijvoorbeeld op bijeenkomsten graag aansprekende filmpjes zien over het belang van duurzaamheid. En we hebben een koersplan tot 2035 uitgezet, met daarin onze doelen.

Dieselverbruik

Aan de andere kant krijgen wij als organisatie ook commentaar van onze medewerkers: “Waar blijven die nieuwe circulaire koffiekopjes?” is het dan. We hebben een lijst gemaakt van de meest vervuilende dingen die Donkergroen doet. Het ergst blijkt ons dieselverbruik te zijn. Daarom willen we overgaan op alternatieven, zoals elektriciteit en waterstof, maar dat heb je niet zomaar voor elkaar. We moeten steeds uitleggen dat het er toch echt aan komt.

Om de circulaire gedachte in deze regio meer handen en voeten te geven, hebben we de Vereniging Circulair Friesland opgericht. Dat is een samenwerkingsverband tussen bedrijven, kennisinstellingen en de overheid. De intenties zijn positief, maar ook hier moeten we geduld betrachten: veranderingen gaan langzaam in Friesland.”

Imago

Elwin: “Dat is wel eens frustrerend. Neem nou de Gemeente Amsterdam, daar is vergroening hét thema, De overheid hanteert er sinds een tijdje echt een compleet duurzaam inkoopbeleid. Dat zie ik hier niet zo snel gebeuren. We zijn minder verstedelijkt en daardoor lijkt de noodzaak misschien minder groot. Maar een groot deel van het probleem gaat over een wereldwijd tekort aan grondstoffen.

Wat we wel zien, is dat Donkergroen steeds meer bij het begin van ontwikkelingsprocessen wordt betrokken. Vroeger waren we het sluitstuk. Zo van: oh ja, we moeten ook nog wat boompjes… Maar als je grote bomen op je dak wilt, moet de constructie dat wel kunnen dragen.”

Anja: “De tijdsgeest heeft veel voor ons imago gedaan. We zijn niet meer dat onderhoudsbedrijf, of die schoffelaars. Ook bedrijven als Heineken en de Lidl willen zich in toenemende mate als duurzaam profileren en gebruiken daar onder meer hun groenvoorziening voor. Volgens mij is dat is geen pure berekening. Daar zitten ook oprechte drijfveren achter. Natuurlijk willen ze de markt bedienen, maar wat er in de lucht hangt, voelen ze ook persoonlijk. Net als wij.”

Anna en Eliza Janse

Interview met Anna en Eliza

Anna (58) en Eliza (61) Janse creëerden in Hurdegaryp een gemeenschapstuin waar tientallen vrijwilligers enthousiast aan meewerken. Ze verbouwen er op natuurlijke wijze, groente en fruit voor de lokale markt.

“De schop pakken en gewoon beginnen.”

Anna: “Zeven jaar geleden bezochten we onze zoon in Macedonië. Hij leefde daar toen in een zogenaamde community in het kader van een Wwoof-project[1]. Daar stonden we met onze vouwcaravan. Totaal van de mik kwamen we weer thuis. We waren zó onder de indruk van de totaal andere manier van leven van deze jongeren. Voor hen speelde geld geen rol en ze waren bijna helemaal zelfvoorzienend.”

Eliza: “We gingen altijd al bewust met ons voedsel om, maar we raakten door die ervaring nog meer doordrongen van de waanzin van al dat gesleep met eten. Je kunt dichtbij huis zoveel verbouwen. We zouden veel meer met de natuur moeten leven, realiseerden we ons en de afstand tussen mens en natuur verkleinen.”

Gemeenschap

Anna: “Zo kwamen we op het idee van De Dorpstuin. Een gemeenschapstuin waar we op natuurlijke wijze groenten en fruit telen voor de lokale markt. Natuurlijk zonder gebruik te maken van kunstmest en bestrijdingsmiddelen. Iedereen die zich in onze ideeën kan vinden, is welkom om mee te doen.”

Eliza: “Het is een succes geworden! We richtten Stichting Dorpstuin Hurdegaryp op en bewerken nu met zo’n 25 vrijwilligers 7000 m2 grond. Daarbij worden we ondersteund door gemiddeld 90 donateurs.

De tuin bestaat inmiddels uit zes thematuinen: een vlindertuin met bijenstal, een teelt tuin, permacultuur tuin, pluktuin, medicinale kruidentuin en een boomgaard met voedselbos. Ik vind het geweldig als ik op de tuin kom en zie dat er van alles is gebeurd. Spontaan, zonder dat ik dat gezegd heb. Mensen ontdekken zelf hoe de natuur voor ons kan werken.

We hebben bijvoorbeeld een vrijwilliger die aanvankelijk hele traditionele ideeën over landbouw aanhing. Nu vertelt hij mij hoeveel wormen er wel niet in de tuin zitten en hoe dat komt. Hij ervaart dat de grond mooi los is, zonder dat we hoeven spitten. Zijn ideeën over voedsel verbouwen veranderen. Daar geniet ik ontzettend van.”

Vinden

Anna: “Ik word momenteel vooral blij van het feit dat mensen ons weten te vinden. Er melden zich vrijwilligers aan en we krijgen voortdurend planten en struiken aangeboden. Het aantal donateurs groeit ook nog steeds.

Als je groente en fruit van ons wilt kopen, moet je eerst donateur worden. Dat kan al voor €10,- per jaar. De prijs van onze producten houden we zo laag mogelijk. We kijken voor welke prijs de Albert Heijn zijn bio-producten verkoopt en gaan daar dan een beetje onder zitten.

De educatieve functie van De Dorpstuin is ook groeiende. We zien er steeds meer schoolklassen en organisaties. Laatst was er een lagere schoolklas. Die kinderen wilden niet naar huis, zo mooi vonden ze het. Daar doe je het toch voor?!”

Eliza: “Het is vrijwilligerswerk. Ik had vroeger een hoveniersbedrijf en heb heel wat gif gespoten in mijn leven. Voor een biologische aanpak, was toen absoluut geen markt. Misschien begint dat nu wat te veranderen. Dat hoop ik, want het kan anders. Dat tonen wij aan.

Voor de tuin gebruiken we principes uit de permacultuur. Daarin is biodiversiteit heel belangrijk. Hoe beter het evenwicht tussen de soorten in de tuin is, hoe minder problemen met ziekte en vraat. Als je kikkers hebt, eten die de naaktslakken. Wanneer je Indische Kers naast de kool plant, heb je grote kans dat de koolwitjes daar gaan zitten en de rupsen later niet je kool opeten. Lijsters eten de huisjesslakken en zo kan ik doorgaan. Bovendien wordt een sterke plant minder snel opgegeten dan een zwakke. En sterke planten kweek je op een vruchtbare bodem.”

Voeding

Anna: “Hoe meer voeding in de bodem, hoe meer voeding in het eten. Biologische producten koop je omdat die beter zijn voor de natuur, maar ze zijn niet per definitie gezonder. Een groot deel van de bodem in Nederland is namelijk uitgeput. Als er geen mineralen in de grond zitten, zul je die ook niet in de planten aantreffen. Onze tuin is veel verder dan biologisch. Daarom zijn onze producten supergezond én heel erg lekker.”

Eliza: “Het mooie is dat iedereen zoiets als onze Dorpstuin op kan zetten. Als je maar een visie en een plan hebt. Je hoeft niet op geld te wachten. Wij hebben uiteindelijk wel wat regionale donaties en subsidies gekregen, maar dat kwam later. We willen ook niet afhankelijk zijn van de grote spelers. Lokaal en zelfvoorzienend, dat was ons streven en dat is het nog steeds. Voor wie zich daarin kan vinden, luidt mijn advies: de schop pakken en gewoon beginnen.”

[1] WWOOF: World Wide Opportunities on Organic Farms. Vrijwilligers kunnen via deze organisatie op een bedrijf, of bij iemand thuis (met een organische grondslag) werken in ruil voor kost en inwoning. Dit kan variëren van boerderijen, hostels tot hobbie-tuintjes.

 

Nieuwsbrief

  • Dit veld is bedoeld voor validatiedoeleinden en moet niet worden gewijzigd.
Volg ons ook op:
Favorieten pictogram Webshop pictogram Chat pictogram Contact pictogram Lid worden
Onze website maakt gebruik van cookies en daarmee vergelijkbare technieken. Klik op 'Ik ga akkoord' om toestemming te geven voor het plaatsen van cookies. Lees meer over cookies