Gevleugelde bewoners van de Trynwâlden

Ten oosten van de plassen Sierdswiel, Houtwielen en Grutte Wielen liggen de Weeshúspolder in het noorden en Binnemiedepolder in het zuiden van Natura 2000-gebied de Groote Wielen (Grutte Wielen). Het grootste deel van de Binnemiede- en Weeshúspolder, 162 hectare, is in beheer bij It Fryske Gea. Het beheer van de graslanden bestaat uit hooilandbeheer met naweiden. De polders vormen een belangrijk weidevogelreservaat met vochtige, kruidenrijke graslanden en zeer natte omstandigheden in het lager gelegen Leechfean in de Weeshúspolder. De Langelânspoel in de Binnemiedepolder is een restant schraalland. Ten zuiden van de Binnemiedepolder, langs de Wielhals, ligt een smalle strook oeverland of “bûtlân”.

Ryptsjerksterpolder uitkijkend richting de Binnemiede- en Weeshuispolder

Geschiedenis, ligging en toegankelijkheid

De Grutte Wielen ligt op de overgang van zandgronden in het oosten naar veen- en kleigronden in het westen. De zandgronden maken deel uit van het coulisselandschap van de Trynwâlden, de westelijke uitloper van de Noardlike Fryske Wâlden. De Wielen zijn in de Middeleeuwen vanaf de negende eeuw ontstaan als gevolg van veenontginningen. Restanten veengrond zijn aanwezig rondom de Wielen en vormen het uiterste noorden van het Lege Midden. De Binnemiede- en Weeshúspolder met klei-op-veen vormen de overgang naar kleigronden van de voormalige Middelzee. De Binnemiede- en Weeshúspolder ligt tussen de Gytsjerksterhoeke bij Gytsjerk in het noorden en Ljouwert in het zuiden. De westgrens van het gebied bestaat uit de vaart de Murk. Buiten het broedseizoen kun je gerust het gebied bezoeken via het beheerpad Kooiweg. Tijdens het broedseizoen is het gebied geheel gesloten voor bezoekers.

Spaanse ruiter

Vogeltellers van het eerste uur

De Binnemiede- en Weeshúspolder heeft een belangrijke functie als broedgebied voor weidevogels. Daarnaast is het gebied van belang voor trek- en wintervogels. Het gebied bestaat uit kruidenrijke graslanden met hoge peilen en natte greppels. Aspectbepalende soorten zijn pinksterbloemen, scherpe en kruipende boterbloem, veldzuring en reukgras. Plaatselijk komt nog schraalland voor met Spaanse ruiter.

Natuurliefhebbers uit de omgeving erkenden de bijzondere natuurwaarden van de Grutte Wielen, en met name de Binnemiede- en Weeshúspolder. Daarom verenigden ze zich in 1978 in de Wielenwerkgroep. Sinds de oprichting heeft Wielenwerkgroep zich ingezet voor de bescherming en de monitoring van de Grutte Wielen. Vogeltellers van het eerste uur zijn Freek Nijland en Piet Braam. Beide heren van de Wielenwerkgroep tellen als sinds 1991 de broedvogels in de Binnemiede- en Weeshúspolder. Dit jaar, dertig jaar later, dragen ze het stokje over aan medewerker Uulco Hoekstra. Aan Uulco de taak deze waardevolle reeks uit te breiden.

De lange reeks geeft een goed overzicht van de veranderingen in de broedvogelgemeenschap van het weidevogelreservaat. Bepaalde soorten zijn redelijk stabiel gebleven, hetzij met schommelingen, hetzij in lage of hoge dichtheden. Er zijn ook vogels die in meer of mindere mate een afname of toename vertonen. 

Sterke afname

Hoewel de Binnemiede- en Weeshúspolder één van de betere weidevogelreservaten is van Fryslân, hebben de meeste steltlopers een sterke afname gekend. De zeldzaamste broedvogel die het gebied gekend heeft, is de kemphaan. De Kemphaan was tot 2000 constant aanwezig als broedvogel. In 1991 werden maar liefst acht territoria van deze fraai geklede vogel vastgesteld. Dit was in 1995 al gehalveerd. Toch heeft de stiekeme kemphaan na 2000 waarschijnlijk nog wel eens een broedpoging ondernomen. In 2020 werd zelfs nog één territorium vastgesteld. De kemphaan staat op de Rode Lijst als ‘ernstig bedreigd’.

Ook de meer bekende steltlopers kievit, grutto (‘gevoelig’), tureluur (‘gevoelig’) en scholekster, de zogenaamde primaire weidevogels, zijn sinds 1991 in aantallen afgenomen. De kievit en de tureluur zijn sinds het begin van de tellingen allebei matig afgenomen met ongeveer tussen de tien à vijftien territoria.

Grutto en scholekster

In tegenstelling tot de meeste weidevogelreservaten is valt de achteruitgang van de grutto in de Binnemiede- en Weeshúspolder mee. De afname is zeer zwak geweest en de negatieve trend lijkt te zijn omgebogen tot licht positief. In 1991 was het aantal territoria 47. In de jaren 2012, 2013 en 2014 zat de Grutto in een dip met minder dan 25 territoria.  Daarna nam de grutto toe tot een nieuw hoogtepunt in 2020 met 37 territoria.

De afname van de scholekster is zeer sterk en valt daarmee samen met de landelijke trend. Tussen 1991 en 1995 kwamen nog meer dan 100 territoria voor. Anno 2020 kwamen nog acht territoria voor. Het gaat landelijk slecht met de =scholekster. Hiervoor zijn meerdere oorzaken aan te wijzen. Naast de intensivering van de landbouw, spelen langs de kust de vermindering van het voedselaanbod en het verdwijnen van droogvallende platen en mosselbanken een rol.

Watersnip en wulp

Twee andere opvallende steltlopers die ook in het gebied broeden zijn de watersnip en de wulp. De watersnip (‘bedreigd’) is vanaf de jaren vijftig gedecimeerd in Nederland. De grootste oorzaak is ontwatering. In de Binnemiede- en Weeshúspolder komt de watersnip in wisselende, lage aantallen voor. De aantallen fluctueren ongeveer tussen de twee en acht territoria. Dit is waarschijnlijk mede afhankelijk van de vochttoestand van het biotoop. In 2020 kwamen zes territoria voor in de Binnemiede- en Weeshúspolder. De Watersnip heeft natte, drassige hooi- en weilanden nodig om met zijn lange snavel in te kunnen foerageren.

De wulp (‘gevoelig’) neemt gestaag toe. Begin jaren negentig broedde de Wulp helemaal nog niet in het gebied. In de eerste jaren na de eeuwwisseling waren één tot twee territoria, maar de laatste jaren zijn dit vier tot vijf. In 2020 was een nieuw record met zeven territoria. De wulp broedt van origine in verschillende landschapstypen. In tegenstelling tot de andere steltlopers komt de Wulp ook in drogere gebieden voor. De Wulp is sinds de jaren tachtig met bijna vijftig procent afgenomen in met name de droge, open heide en duingebieden alsook in hoogvenen. Waarschijnlijk als gevolg van verminderd voedselaanbod, onvoldoende geschikt broedgebied en toegenomen predatie. De vogel is tegenwoordig meer in halfnatuurlijke graslandgebieden te vinden, zoals de Binnemiede- en Weeshúspolder.  

Wilde eend

Het jaar 2020 werd door Sovon en Vogelbescherming uitgeroepen tot het jaar van de wilde eend. Deze algemene en bekende eendensoort gaat landelijk achteruit. De oorzaken hiervan zijn nog weinig bekend. De extra tellingen van afgelopen jaar moeten geanalyseerd worden. Een mogelijke theorie is de negatieve invloed van  de ‘verbeterde’ waterkwaliteit. Een goede waterkwaliteit zorgt voor helder water met minder eendenkroos, een belangrijke voedselbron voor eendenkuikens. Helder water zorgt ook voor een betere zichtbaarheid van de kuikens voor onderwater-predatoren als de snoek.

Hoe dan ook, in de Binnemiede- en Weeshúspolder is de wilde eend stabiel gebleven met een gemiddelde van 31 territoria. In de jaren negentig fluctueerde het aantal echter, met een uitschieter naar boven van 46 territoria in 1991. Daartegenover was 2001 met 14 territoria een dieptepunt.

Andere watervogels

De nauw verwante en minder algemene krakeend neemt landelijk juist toe. Zo ook in de Binnemiede- en Weeshúspolder. De populatie is sinds de jaren negentig verdubbeld met in 2020 het hoogste aantal tot nu toe van 21 territoria. De Krakeend neemt in heel West-Europa toe. Waarschijnlijk zijn grootschalige ontginningen en verdroging in moerasgebieden in Rusland en Oekraïne een belangrijk oorzaak.

Minder algemene weide-eenden die in lage aantallen voorkomen, zijn zomertaling (‘bedreigd’) en slobeend (‘kwetsbaar’). Zomertaling is niet elk jaar aanwezig als broedvogel. In betere jaren zijn tot nu vier territoria vastgesteld. De trend is redelijk stabiel met twee territoria in 2020. De zomertaling heeft drassige graslanden nodig met een rijke oever- en waterplantenvegetatie en een goede waterkwaliteit. Daarnaast komt de eend voor in moerassen.

De slobeend is iets talrijker. In de jaren negentig zeven tot vijftien territoria waren de aantallen hoger dan na 2000. Er zijn jaren geweest dat er maar één broedgeval was Het jaar 2020 was met zes territoria van de slobeend een redelijk goed jaar.  De slobeend komt in een vergelijkbaar biotoop voor als de zomertaling. Beide soorten zijn vooral gevoelig voor verdroging.

Graspieper en veldleeuwerik

De weidezangvogel graspieper is met gemiddeld 27 territoria redelijk constant. Deze soort staat met de status ‘gevoelig’ op de rode Lijst en is landelijk sterk achteruitgegaan als gevolg van de intensivering van de landbouw.  De graspieper voelt zich thuis in  de extensief beheerde graslanden van de Binnemiede- en Weeshúspolder met een late maaidatum. De graspieper heeft een open landschap nodig met een korte vegetatie. Naast graslanden broedt de Graspieper ook wel in open duin, op de heide en op de kwelder.

Een andere zangvogel met een vergelijkbaar biotoop als de graspieper, is de veldleeuwerik. De veldleeuwerik is in de Binnemiede- en Weeshúspolder uit het dal geklommen. Het startjaar van de tellingen in 1991 was het hoogtepunt van de veldleeuwerik met een uitzonderlijk aantal van 80 territoria. Daarna is het aantal territoria gekelderd tot 26 territoria in 2003. Sindsdien namen de aantallen met schommelingen weer gestaag toe tot 64 territoria in 2020.

Beheer

Het beheer van deze graslandpolder bestaat uit een scala aan werkzaamheden. Bijna alle werkzaamheden staan ten dienste van het graslandbeheer. Het graslandbeheer begint in februari-maart met het overmaaien van pitrus, vaak alleen mogelijk als het in de nachten nog flink gevroren heeft. Meteen daarop kan er dan ruige mest worden uitgereden. Dit is afkomstig van de dieren van onze pachters. In dezelfde periode worden de laatste puntjes op de I gezet. Indien nodig worden greppels gefreesd en wordt de hekkelspecie van slootoevers verwijderd .

Uiterlijk 15 maart zijn deze werkzaamheden afgerond, hoog tijd om de slootwaterpeilen maximaal op te zetten, net als de plas-drasgebiedjes in de polder. Want de eerste kieviten beginnen nu aan de leg te komen. Het broedseizoen is begonnen. In de loop van april, als het laat is zoals dit jaar vanaf begin mei, kan er soms al begonnen worden met voorweiden. Enkele droge koeien of een klein groepje pinken wordt ingeschaard op een perceel waar geen weidevogels zitten. Elke pachter wordt gevraagd een groepje pinken of droge koeien in te scharen. Op deze manier ontstaat er kuikenland met een lagere, kruiden- en structuurrijke vegetatie. Dit is onderdeel van het mozaïekbeheer.

Vanaf 15 juni wordt er, wanneer mogelijk, gemaaid en afgevoerd. Percelen die nog te voedselrijk zijn, wat aan de hogere vegetatie is te zien, worden als eerste gemaaid als het kan vanwege de weidevogels. De eerste maaitrap ontstaat zo. Samen met het voorweiden onderdeel van het mozaïekbeheer. Als het goed uitkomt met de ontwikkeling van de gruttokuikens, dan zitten die daar graag vanaf eind juni als ze in de laatste week voor het vlieg vlug worden zitten. Het gras is dan weer lang genoeg, maar nog zo kort dat deze kuikens nu goed met hun al langere snavel naar wormen en emelten en dergelijke kunnen zoeken.

Vanaf 15 juli kan er volop gemaaid worden, het broedseizoen is voorbij. Ook dan blijft het belangrijk dat niet alles in één keer kaal wordt gemaaid. Er zitten soms ook laat broedende soorten in de polder en er zijn plaatselijk percelen met plantensoorten die eerst nog voldoende zaad moeten kunnen zetten. Deze percelen worden niet zelden eind juli begin augustus voor een eerste keer pas gemaaid. Is het erg groeizaam, dan bij uitzondering soms zelfs nog een tweede keer begin september.

Dit graslandbeheer wordt in goede banen geleid door Jouke Vlieger, onze weidevogelcoördinator. Na het maaiseizoen, in augustus en september, vindt plaatselijk het nodige “groot onderhoud” plaats. In projectvorm worden soms dammen en duikers vervangen of bagger uit de periodieke diepteschouw van Wetterskip Fryslân verwerkt. Meteen gevolgd door het jaarlijks schonen van alle watergangen, periodiek greppelen van percelen en het verwerken van de hekkelspecie. Al deze werkzaamheden zijn sterk weersafhankelijk, wordt het te nat in het veld dan moeten we soms stoppen voor het allemaal klaar is. En hopen om het volgende vroege voorjaar voor 15 maart over de nachtvorsten dit beheer af te kunnen ronden.

Aan de Oostelijke rand van de polder grenzend aan de Sierdswiel en de Houtswiel ligt nog een rietland, de Kondiken genaamd. Formeel geen onderdeel van de polder. Want het ligt buiten de polderkade. Dit rietland wordt jaarlijks gemaaid in de winter vanaf 1 januari. Belangrijk om de openheid van de Binnemiedepolder te versterken. Opslag van boompjes wordt ook hier om deze reden periodiek verwijderd. Aan de zuidzijde ligt nog een stukje bûtlân, buiten de kade gelegen, genaamd de Wielshals. Dit heel langgerekte perceel wordt eind juli begin augustus 1 en soms twee keer gemaaid. In het voorjaar bloeien hier net als in de Kondiken de dotterbloemen.

Tenslotte

Zo hebben we een beeld geschetst van de weidevogelbewoners en al het beheer wat wordt gedaan om het vooral deze soorten helemaal naar de zin te maken. Er zijn nog veel meer soortgroepen die hier dankbaar van profiteren. Ook zoogdieren als ree en haas komen er volop voor. Verder worden hermelijn en wezel, vos en steenmarter waargenomen, verschillende soorten muizen als aardmuis, veldmuis en dwergmuis. En niet te vergeten de insecten waaronder opvallende soorten als vlinders en libellen. Ook bruine kikker, meer-kikker en gewone pad kun je treffen. Al dit moois is vanaf 15 juli tot 15 maart te beleven vanaf het beheerpad. Daarna is het weer broedseizoen, rust voor de bewoners van de Binnemiede en Weeshuispolder.

Pictogram

Wil je de Friese natuur een handje helpen?

Doe een donatie
It Fryske Gea maakt gebruik van functionele en analytische cookies om jouw ervaring op onze website te verbeteren. Door akkoord te gaan met de tracking cookies kunnen wij jou gerichte berichten over de natuur en onze activiteiten op social media en via derde partijen tonen. Lees meer over cookies