Zoeken pictogram Contact pictogram Favorieten pictogram 0 Webshop pictogram 0 Menu pictogram

Voor iedereen die van de Friese natuur houdt

Veldonderzoek in district Súd

Het Easterskar is een natuurgebied van 565 hectare tussen It Hearrenfean en het Tjûkemar. Het ligt op de overgang van het beekdallandschap van de Tjonger naar het veenlandschap van het Lage Midden. Kenmerkend is de afwisseling van broekbos, riet- en zeggemoeras, ruige en natte tot matig voedselrijke graslanden. Ook is er veel open water aanwezig in de vorm van petgaten, sloten, voormalige zandwinputten en waterbuffers. Uniek voor dit laagveenmoeras zijn de reptielenpopulaties. In 2018 en 2019 zijn de reptielen van het Easterskar integraal onderzocht. Benieuwd naar de resultaten?

ringslang in het Easterskar

Foto: ringslang in het Easterskar

Reptielenonderzoek

Hoewel in dit gebied decennialang hydrologische maatregelen zijn getroffen, is het Easterskar nog steeds erg droog. Dit heeft te maken met de hoge ligging ten opzichte van de omliggende, ontgonnen en ingeklonken landbouwgronden met lage peilen. In 2019 was de realisering van de ecologische verbindingszone voltooid. Hopelijk kunnen we hiermee het gebied natter houden door er water in te laten vanuit het Tjongerkanaal. Ondanks de droogte (over)leven in dit laagveenmoeras drie soorten reptielen, namelijk de Adder, Ringslang en Levendbarende hagedis.

“ De aanwezigheid van Adders in een laagveengebied als het Easterskar is uniek, zowel nationaal als internationaal! ”

De populaties hebben een min of meer geïsoleerde ligging. Het is echter onbekend hoe groot en vitaal deze zijn en welke terreindelen essentieel zijn als biotoop. Dit willen we graag weten om hun kwetsbaarheid in te schatten en vervolgens gerichte maatregelen te kunnen nemen. Hiernaar doen we onderzoek, maar dit doen we niet alleen:

  • In 2018 en 2019 heeft RAVON (kennisorganisatie voor o.a. reptielen) excursiewaarnemingen, eigen veldbezoeken, lopend onderzoek en losse waarnemingen geanalyseerd. Tevens zijn de faunapassages in 2018 onderzocht met behulp van cameravallen (plaatsing in april).
  • vrijwilliger Wouter Schothorst monitort de reptielen, langs een vast traject van bijna twee kilometer aan de Hegedyk. In 2019 telde hij acht Adders, twee Ringslagen en drie Levendbarende hagedissen. Samen met zijn voorganger Teun Veldman is er in dit deelgebied een waardevolle meetreeks van 21 jaar opgebouwd. Jaarlijks de gegevens vergelijken is complex, maar rekeninghoudend met de kanttekeningen nemen waarnemingen van de Adder helaas af. Die van de Levendbarende hagedis blijven stabiel laag en de waarnemingen van de Ringslang nemen toe.
  • vrijwilliger Richard de Jong monitort ook de Adderpopulatie door de verschillende individuen te volgen. Vrijwilliger Jelmer Groen helpt hieraan mee en verzamelt tevens DNA-monsters om de genetische diversiteit van de populatie in beeld te brengen. Zo identificeren ze alle aangetroffen Adders door de kopschildenformule te noteren en hiervan foto’s te maken. Adders zijn namelijk individueel herkenbaar aan de hand van het aantal en de positie van hun kopschilden. Vergelijkbaar is de natrixcode, waarbij de zwarte vlekken op de buikschubben worden geteld. Ook dit wordt toegepast. In 2019 zijn er 19 Adders waargenomen, waarvan 11 nieuwe individuen (in totaal zijn er nu 51 verschillende Adders gezien). En het aantal Ringslangen in 2019 was 42, waarvan 13 nieuwe individuen (vanaf 2019 zijn in totaal 19 verschillende Ringslangen).

Inzichten en vermoedens
Reptielenonderzoek in een ontoegankelijk en onoverzichtelijk laagveengebied als het Easterskar blijkt lastig. Er wordt dan ook veel gezocht langs randen en in lagere vegetaties, zoals paden en graslanden. Toch blijft de trefkans laag, waardoor een statistisch onderbouwde populatieschatting eigenlijk niet mogelijk is. Er zijn te weinig gegevens over individuen bekend om groeicurves te kunnen maken. We vermoeden dat de adder- en ringslangenpopulaties groter zijn dan waargenomen, aangezien vrijwel alle individuen slechts eenmaal zijn gezien. De Levendbarende hagedis is de zeldzaamste reptielsoort, hiervan zijn zeer weinig waarnemingen.

Waar ze het liefste vertoeven
Vermoedelijk overwinteren Adders op de hogere zandruggen. Hiervan zijn er in het Easterskar enkele aanwezig die boven het veen uitsteken. Deze plekken moeten een halfopen karakter behouden met een droge, niet verdichte bodem. En ze foerageren in de overgangszones met veel structuurvariatie in de vegetatie, dit geldt ook voor de Levendbarende hagedissen. De Ringslang foerageert daarentegen langs de oeverzones. En in de zomer? Dan verblijven adders graag in graslanden met Pitrus. Hiermee dient dan ook rekening te worden gehouden in het (maai)beheer. Niet intensief, maar extensief, waarbij opslag periodiek wordt verwijderd. Dat is beter voor de ontwikkeling van een structuurrijker zomerverblijf. Verder is het aanleggen van broeihopen gunstig voor Ringslangen om eieren in te leggen.

Veilig oversteken
De faunapassages in het Easterskar zijn zeer functioneel voor de Adder en vooral de Ringslang. De Adder is twee keer geregistreerd en de Ringslang tien keer. Helaas is er geen Levendbarende hagedis vastgelegd. Hoewel de passages zijn aangelegd voor reptielen, maakt ook andere fauna hiervan dankbaar gebruik. De bruine rat en daarna de Bosmuis zijn het vaakst geregistreerd, met als opvallende derde de Boommarter. Verrassend is ook de opname van een passerende Kwartelkoning in september.

Wasplaten op de Hoorn

De paddenstoelen van de Delleboersterheide hebben twee zware jaren achter de rug. Dit gebied is vooral befaamd om de vele soorten wasplaten op de Hoorn. Wasplaten zijn paddenstoelen van schrale, oude graslanden met weinig verstoring van de bodem. In deze milieus komen naast wasplaten ook andere specifieke paddenstoelgroepen voor, namelijk satijnzwammen, barsthoeden, knotszwammen en aardtongen Wasplaten zijn vrij kleine tot tamelijk grote paddenstoelen die opvallen door hun vaak levendige kleuren, hoofdzakelijk in te tinten rood, oranje en geel. Ze worden ook wel de ‘orchideeën onder de paddenstoelen’ genoemd vanwege hun schoonheid, standplaatseisen en kwetsbaarheid voor verstoring.

Uiteenlopende paddenstoelresultaten
Vrijwilligers Marten en Immy Hunneman monitoren jaarlijks de paddenstoelen van het gebied en kwamen met verontrustende berichten over de tegenvallende resultaten! In 2018 troffen ze helemaal geen wasplaten aan en in 2019 ‘slechts’ de Elfenwasplaat en de Slijmwasplaat, beide kwetsbare soorten volgens de Rode Lijst. Dit staat in schril contrast met hun enthousiaste bericht in 2015. Toen zijn Marten en Immy gestart met een onderzoek naar graslandpaddenstoelen op de Hoorn. De inspiratie hiervoor was een paddenstoelenexcursie in de Rotstergaaster Wallen. Dit gebied is sinds 2013 het eerste wasplatenreservaat van Nederland en is een vergelijkbaar biotoop. Het gaat in beide gevallen namelijk om rivierduintjes van de Tjonger.

“ De Hoorn is een waar wasplatenreservaat ”

En het onderzoek op de Hoorn was niet onverdienstelijk. In totaal noteerden zij dat jaar twaalf wasplaten. De Hoorn kunnen we daarom een waar wasplatenreservaat noemen. Naast de algemenere Elfenwasplaat en Slijmwasplaat, zijn toen Gewoon vuurzwammetje, Gele wasplaat, Gewone weidewasplaat, Geelvoetwasplaat, Papegaaizwammetje, Grauwe wasplaat, Scharlaken wasplaat, Kleverige wasplaat, Klaprooswasplaat en één exemplaar van de zeer zeldzame en bedreigde Violetgrijze wasplaat waargenomen. De resultaten zijn nauwkeurig in kaart gebracht. Het is hopen op vochtigere jaren, zodat we weer kunnen genieten van deze mysterieuze schoonheden. Marten en Immy houden de paddenstoelen in ieder geval goed in de gaten.

Wilde bijen van de Bakkefeansterdunen en de Heide fan Allardseach

In 2019 is een onderzoek gedaan naar de wilde bijen van de Bakkefeansterdunen en Heide fan Allardseach. Deze inventarisatie is mogelijk gemaakt door een energiebedrijf om de biodiversiteit in Nederland te ondersteunen. It Fryske Gea wilde hieraan meewerken. Het heideterrein bij Bakkefean is namelijk een uniek gebied voor Fryslân met stuifzand, holle wegen, heide en bos op zand. Deze biotopen zijn geschikt voor verschillende, zeldzame wilde bijen. De laatste bijeninventarisatie van het terrein was in 1999 en 2002, dus een actuele lijst van wilde bijen ontbrak.

“ De variatie aan zandige biotopen in het Mandefjild zorgt voor hoge soortenrijkdom aan wilde bijen ”

In totaal zijn 35 soorten vastgesteld. Dit is een hoog aantal in vergelijking met andere natuurgebieden in Fryslân. De soortenrijkdom is te verklaren met de variatie aan zandige biotopen. Op korte afstand is veel afwisseling in hoogte, vocht, schraalgraslanden, droge- en vochtige heide en gemengd bos.

Zeldzame soorten laten zich zien
De aanwezigheid van nectarrijke wilgen in het voorjaar is zeer gunstig voor bijen. Met name grote groeiplaatsen van Kruipwilg zijn belangrijk voor een aantal zeldzamere zandbijen van het geslacht Andrena met hun bijbehorende koekoeksbijen van het geslacht Nomada. In een heidegebied als het Mandefjild is het voorkomen van zowel de Heidezandbij als de Heidezijdebij karakteristiek. Beide heidespecialisten staan landelijk onder druk. Andere waardevolle en zeldzame bijensoorten zijn de Andrena-soorten;

  • Donkere wilgenzandbij,
  • Bremzandbij,
  • en de Wilgenhommel.

De bedreigde Donkere wilgenzandbij komt in de heide van Bakkefean waarschijnlijk in relatief hoge dichtheden voor. Deze voorjaarssoort zie je in Nederland lokaal op binnenlandse zandgronden, langs de kust en in een soort van heide- en stuifzandgebieden. De populatie in Bakkefean is dus belangrijk voor Fryslân. De soort verzamelt uitsluitend stuifmeel op wilgen. De vrouwtjes nestelen op zonnige zandige plekken. De combinatie van deze plekken en wilgen is erg belangrijk voor het voortbestaan.

De kwetsbare Bremzandbij is waarschijnlijk  zeldzaam in de heide van Bakkefean. De soort komt voor in schrale graslanden, droge ruderale terreinen, ruigten, dijken en groeven. De bij graaft nesten in verschillende grondsoorten die niet al te dicht begroeid zijn. Voor wat betreft het foerageren is deze soort polylectisch, wat betekent dat hij kan foerageren op allerlei drachtplanten. Toch vertoont de Bremzandbij een sterke voorkeur voor vlinderbloemigen.

De Wilgenhommel is één van de zeldzaamste hommels in Nederland. In de heide van Bakkefean komt de soort nog relatief veel voor. De Wilgenhommel is een lastig te onderscheiden hommel. Deze soort werd vroeger gezien als een kleurvariant van de Veldhommel. Uit DNA- en feromonenonderzoek is echter gebleken dat het een aparte soort betreft. Slechts de koninginnen kunnen met zekerheid op naam worden gebracht. Ook het Nederlandse verspreidingspatroon en de Nederlandse habitat wijzen hierop. Vrijwel alle waarnemingen in Nederland komen uit natte heidegebieden en kustduinen.

Nachtvlinders van het Mandefjild

Op 6 juli was een excursie van Vlinderwerkgroep Friesland in de hele Bakkeveense Duinen, dus zowel bij Staatsbosbeheer als het Mandefjild van It Fryske Gea. Er zijn die dag 247 vlinders waargenomen van in totaal 154 verschillende soorten. Enkele specialistische soorten waren de Jeneverbesmot, het Kanariesmalsnuitje, het Naaldkunstwerkje, de Zonnedauwvedermot, de Zwartbruine vlakjesmot, de Baardsnuitmot, de Nachtpauwoog, de Geelpurperen spanner, de Witlijntandvlinder, de Grauwe borstel en Kuifvlinder.

De Jeneverbesmot en het Kanariesmalsnuitje hebben de zeldzame Jeneverbes nodig als waardplant. De eieren van de Jeneverbesmot worden afgezet tussen de naalden van de Jeneverbes. De rups overwintert in een klein spinsel tussen de naalden en kruipt hier in maart of april uit waarna hij grote delen van de tak opvreet. Ze zijn vaak in grote getalen te aanwezig. Door de massale vraat kunnen grote bruinige vlekken ontstaan op de Jeneverbesstruiken. De vlinder vliegt in één generatie.

De Zonnedauwvedermot is een zeldzame en lokale soort van de zandgronden in Nederland. De vleesetende Zonnedauwsoorten, met name Ronde zonnedauw zijn de waardplanten. Deze planten groeien vaak op vochtige plekken in heiden en bij vennen. De eiafzetting op de vleesetende waardplant door het vrouwtje is dus risicovol en vergt behoedzaamheid. De eitjes worden daarom afgezet op de onderkant of de stengel van het blad. Na enkele dagen komen de eitjes uit en gaan de rupsen eerst de gevaarlijke plakkerige haartjes om vervolgens de rest van het blad te kunnen opeten. Ze rusten op de onderkant van de overgebleven bladen waarbij hun rode kleur een uitstekende camouflage biedt. Als ze na enkele vervellingen van rood naar groenig verkleuren, kiezen ze de groene stengeldelen als rustplaats. De rupsenperiode is in juli en opnieuw tussen september en mei, waarbij de rups dus overwintert en de vlinder vliegt dus in twee generaties.

Winterse zoektocht naar de Sneeuwvlo

Op 7 december 2019 werd een zogenaamde ‘pop-upexcursie’ georganiseerd door de nieuwe Insectenwerkgroep van de Fryske Feriening foar Fjildbiology (FFF). Een pop-upexcursie is een laagdrempelige excursie die spontaan geïnitieerd wordt. Het doel was te zoeken naar de potentieel tweede vindplek van de Sneeuwvlo in Fryslân. De Sneeuwvlo is bekend van het Aekingerzand. Het is één van de weinige insectensoorten in Nederland die zich ’s winters voortplant. Het is een soort vleugelloze schorpioenvlieg die vooral leeft op zandverstuivingen en dan vooral tegen op plekken met korstmossen, Buntgras en Ruig haarmos. En wat een succes was het toen de deelnemers enkele exemplaren op een paar vierkante meter tegen kwamen. Een tweede locatie van de soort in Fryslân was een feit, alsook de meest noordelijke vindplaats van Nederland.

Die dag werden verder nog 29 andere insectensoorten gevonden waaronder twee nieuwe keversoorten voor Fryslân. Het ging om de boktor Leiopus linnei, die nog geen Nederlandse naam heeft, laat staan een Friese. Het is een kleine boktor die leeft op dode, dunne takken in loofbos met veel dood hout. De soort is pas sinds 2009 van de gelijkende Nevelblekbok onderscheiden als aparte soort. Daarom is de verspreiding van deze soort in Nederland nog onbekend. Waarschijnlijk komt de kever vooral voor op de hogere zandgronden van Oost-Nederland. Ook de Vermiljoenrode kniptor was nieuw voor Fryslân. De larven van deze kever leven in pulp van loofhout, bij voorkeur van Eik en Beuk. De volwassen kevers houden zich eerst op onder de schors van deze bomen. In mei komen de volwassen kevers onder schors vandaan om zich voort te planten en te verspreiden.

Benieuwd naar onze overige onderzoeksresultaten?

Wij hebben ook voor de districten West, Midden en Noard veldonderzoek verricht en de meest in het oog springende onderzoeken en resultaten op een rij gezet. Bekijk alle inventarisaties en karteringen.

Nieuwsbrief

  • Dit veld is bedoeld voor validatiedoeleinden en moet niet worden gewijzigd.
Volg ons ook op:
Favorieten pictogram Webshop pictogram Chat pictogram Contact pictogram Lid worden
Onze website maakt gebruik van cookies en daarmee vergelijkbare technieken. Klik op 'Ik ga akkoord' om toestemming te geven voor het plaatsen van cookies. Lees meer over cookies