Maatregelen tegen de letterzetter

Het Ketliker Skar is een gevarieerd bos- en heidegebied waar o.a. veel insecten leven, zoals het bastkevertje de letterzetter. Deze walsvormige, donkerbruine kever komt vooral voor op sparren als Fijnspar, Sitkaspar en Servische spar, maar bij hoge dichtheid ook op andere naaldbomen. Het is een invloedrijk diertje dat op grote schaal bomen aantast. Naaldbomen zijn door de harsvorming eigenlijk beschermd tegen de letterzetter, maar verzwakte of omgewaaide naaldbomen zijn een gemakkelijke prooi.

Het verloop van de letterzetterplaag in het Ketliker Skar was in drie jaar tijd inzichtelijk geworden door observatie. In korte tijd was een grote hoeveelheid dood staand hout ontstaan, die een veiligheidsrisico vormden langs de wandelpaden en openbare wegen. De sparrenvakken met grote schade zijn daarom heringericht. Het dood staand hout, dat anders binnen enkele jaren zou omvallen, is weggehaald. Andere vakken zijn opnieuw ingeplant met boomgroepen van verschillende loofhoutsoorten. Een aantal sparrenvakken waren al gemengd met andere boomsoorten en zijn alleen de sparren weggehaald. De gekapte sparrenvakken zijn ontdaan van de strooisellaag, om hier weer heide te laten ontwikkelen, zoals dat in 1930 nog op grote schaal voorkwam in het gebied.

Herstelwerkzaamheden Ketliker Skar

In 2023 is 7 hectare aan graslandpercelen aan de oostkant van het Ketliker Skar ingericht tot natuurgrond. Met het aanplanten van loofbomen en de ontwikkeling van heide willen we de natuurwaarden herstellen en de biodiversiteit een boost geven. De aanplant van bomen dient ook als compensatie voor de maatregelen die we hebben moeten nemen als gevolg van schade door de letterzetter, die met name de fijnspar aantast. In Ketliker Skar hebben we de fijnspar in een aantal vakken moeten weghalen.

Uit oude bodemkaarten blijkt dat de grond rond 1830 vooral uit heidevegetatie bestond. In de eeuw erna is de heidegrond veelal ontgonnen en gebruikt voor gewassen- en veeteelt. Een deel van de grond plaggen we, waarmee de humusrijke bovenlaag verdwijnt. Daarmee vergroten we de kans op ontwikkeling van heidevegetatie.

Daarnaast wordt een natuurlijke verbinding aangelegd tussen de verschillende gebieden. Vlinders, libellen en bijvoorbeeld de levendbarende hagedis kunnen zich via de verbindingen makkelijk verplaatsen tussen de natuurgebieden.