It Fryske Gea

Waarnemingen in terreinen van It Fryske Gea

Veel bijzondere waarnemingen kwamen er de afgelopen maanden weer binnen bij It Fryske Gea. Wat verstaan we onder bijzondere waarnemingen? Dit zijn waarnemingen van opvallende, zeldzame, kwetsbare of karakteristieke soorten planten, mossen, insecten, spinnen, slakken, zoogdieren, reptielen, amfibieën, vissen en vogels in de natuur van It Fryske Gea.
Onder aan deze pagina vindt je een formulier waarmee je jouw eigen bijzondere waarneming(en) uit onze terreinen kunt doorgeven. 


Voorjaar 2010

 
Koude start in 2010
Door de stevige winter werden veel “eerstelingen” dit voorjaar later gezien dan we in voorgaande jaren gewend waren. Maar eigenlijk was dit de van oudsher “normale” situatie, oftewel de natuurplanning zoals die na een normale winterperiode van november t/m februari/maart van West-Europese landen bekend is.
 
Zo werden dit jaar in de tweede helft van maart de eerste vlinders gezien; dit zijn vaak het citroentje, kleine vos, gehakkelde aurelia of de dagpauwoog, allevier soorten die in Nederland overwinteren als vlinder. In voorgaande jaren kwamen de eerste meldingen van deze soorten vaak al in de eerste helft van maart, in soms zelfs al in februari binnen, afhankelijk van de weersomstandigheden (met name de temperatuur).
Ook boomblauwtje, bont zandoogje en oranjetip zijn vroege soorten. Zij overwinteren als pop. In voorgaande jaren werden deze beide vaak tussen 10 en 15 april voor het eerst gemeld. Op het moment dat dit stukje wordt geschreven (16 april) zijn er nog géén meldingen van deze soorten uit Fryske Gea-reservaten binnengekomen (een dag later echter werden oranjetip en bont zandoogje op verschillende plaatsen in Fryslân gezien!).
Ook de libellen waren later dan voorgaande jaren dit voorjaar. Tijdens de voorjaarsbijeenkomst van de libellenwerkgroep de Hynstebiter op 15 april jl had niemand in Fryslân nog een libel gezien. In 2007 bijvoorbeeld werd de eerste vuurjuffer al op 2 april waargenomen.

In februari kwamen er meerdere meldingen binnen van slaapplaatsen van velduilen. Zo verbleven er in die periode dagelijks ca. 8 velduilen in de duinen op de Hon. In d’Amelannen bij Hurdegaryp werden maar liefst 16 velduilen geteld op 28 februari. Op 7 maart waren dit er 21 op dezelfde plaats. Deze zeldzame uilen komen in het winterhalfjaar graag bijeen in ruige terreinen met een groot muizenaanbod. Eerder was dit ook op het Eilân-west het geval, voordat dit gebied opnieuw werd ingericht. Hier werden in 2007 bijvoorbeeld 7 exemplaren geteld.

Op de Warkumerwaard werd op 11 maart een dode zeehond gevonden. Het blijkt vaker voor te komen dat zeehonden vanuit het Waddengebied in het IJsselmeer terecht komen, via de spuizluizen in de afsluitdijk. Hoewel ze het hier wel enige tijd kunnen uithouden (vis genoeg) gaan ze uiteindelijk vaak toch dood door vermoeidheid, als ze de Waddenzee niet weer terug kunnen vinden.

Foto: T. de JongIn de Alde Feanen werden vorig jaar speciale kasten opgehangen om de zeldzame boommarter die hier op eigen kracht terecht is gekomen een droge nestplaatst te bieden. Afgelopen winter bleek één van de kasten inderdaad bewoond door een marter! Nader onderzoek moet uitwijzen of het ook om een boommarter gaat.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

Meer bijzondere vogels werden er gezien. In maart verbleef tijdelijk een monniksgier op het Noarderleech boven Hallum. Het bleek te gaan om een projectvogel uit een herintroductieprogramma in Frankrijk. In dit zelfde gebied zaten halverwege april 3 pelikanen. Over deze grote viseters is relatief weinig informatie te vinden. Er worden wel vaker pelikanen gezien, soms gaat het dan om ontsnapte beesten. Ze broeden in het wild in ieder geval niet in Nederland voor zover bekend. Over een broedgeval van de zeearend in het Lauwersmeergebied werd in de media al bericht. Dit is het tweede gebied in Nederland waar deze soort tot broeden komt, na de Oostvaardersplassen. Het wachten is nu op een broedgeval van deze reusachtige aas- en ganzeneter in een Fryske Gea-gebied. Zo zou de Alde Feanen in aanmerking kunnen komen, maar op 12 april werd mogelijk ook een zeearend overvliegend waargenomen in het Easterskar. Verder kwam er begin maart een melding binnen vanuit de Bokkenpollenpolder, Noard-Fryslân Bûtendyks. Ook de raaf is een echte aaseter. Deze kolossale zwartrok vloog op 10 april over de Delleboersterheide.

Dat zich in en rond het dorp Beetsterzwaag de laatste jaren een heuse kolonie ooievaars heeft gevestigd is ook al onder de aandacht geweest in de media. In totaal broeden er op dit moment voor zover bekend 18 paartjes, waarvan de meeste (13) zich hebben gevestigd in de oude (en deels afgeknotte) eiken en beuken langs de Gerdyksterwei. Ook It Fryske Gea heeft een ooievaarspaal geplaatst in de weilandjes bij Park Olterterp. Hoewel hier wel een paar keer ooievaars op zijn gesignaleerd in en rond het park is er dit jaar helaas nog geen nest gebouwd op deze paal.
 
Foto: H. PietersmaSommige mensen vragen zich af of de ooievaars niet de oorzaak zijn van het verdwijnen van weidevogels. Deze vraag is mij de afgelopen tijd meerdere keren gesteld. Het is m.i. wat je noemt een echte kip-ei discussie.
Met de weidevogels in heel Nederland gaat het al sinds halverwege de jaren ’70 slecht. Het instellen van een vast Fries boezempeil, ruilverkavelingen en diepontwatering hebben de randvoorwaarden voor de weidevogelpopulatie verslechterd. Daarnaast groeide de bevolking, waardoor meer huizen werden gebouwd, er industrieterreinen en wegen bijkwamen. De landbouw moderniseerde en werd grootschaliger en intensiever (meer, groter, sneller).
Hierdoor lukt het de weidevogels vrijwel nergens in Fryslân meer om voldoende jongen vliegvlug te krijgen, terwijl de volwassen dieren steeds ouder worden en sterven. De achteruitgang kon op deze manier jarenlang vrijwel onopgemerkt door gaan.
In alle Fryske Gea-reservaten samen broedden in 1998 nog 1058 paar kievit, 726 paar grutto, 1363 paar scholekster, 683 paar tureluur en 70 paar watersnip. In 2009 waren dit er nog  893 paar kievit (achteruitgang 15%), 467 paar grutto (achteruitgang 37%), 940 paar scholekster (achteruitgang 31%),  633 paar tureluur (achteruitgang 7%) en 41 paar watersnip (achteruitgang 41%). Hierbij is nog niet eens rekening gehouden met het feit dat sommige reservaten in de loop der jaren groter zijn geworden door aankopen!
Net als de weidevogels heeft ook de ooievaar een sterke relatie met landbouw. Het dier heeft een sterke voorkeur voor natte graslanden, zoals bij Beetsterzwaag in het beekdal van het Koningsdiep. De aanwezigheid van heideterreinen hier is een pré. Het voedsel is namelijk zeer gevarieerd en bestaat voornamelijk uit muizen, mollen, reptielen en amfibieën, insecten, wormen en slakken en ook kuikens van andere vogels. Dus hoe gevarieerder het leefgebied, hoe beter. Midden jaren ’70 was de ooievaar in Nederland zo goed als uitgestorven, eigenlijk om dezelfde redenen als waarom het met de weidevogels zo slecht gaat. Dankzij herintroductieprogramma’s en “ooievaarstations” waar de dieren werden gefokt, heeft zich in Nederland inmiddels weer een populatie gevestigd van enkele honderden paren.
Natuurlijk zal een ooievaar ook een weidevogelkuiken opeten. Maar de ooievaar is er niet de oorzaak van dat het slecht gaat met de weidevogels. Een gezonde prooidierpopulatie kan predatieverlies verdragen.

Foto: J. PaulusmaMet de eerste warmtestralen komen ook de slangen weer te voorschijn uit hun winterschuilplaatsen. De ringslang die vorig jaar al werd gemeld uit de Buismans-einekoai te Gytsjerk, is nu voor het eerst op 8 april dit jaar ook vastgelegd op de gevoelige plaat:
 
 
 
 
 
 
 
 

 
 
 

Bijzondere waarnemingen in Fryske Gea-tereinen

*Verplicht veld
Naar boven